De ark van Noach

Bouwde Pieter Jansz. nu het eerste fluitschip of paste hij als eerste de bijbelse proporties van de arke Noachs op het fluitschip toe? Waarschijnlijk het laatste.

'LIOORNE', in de 17de eeuw de Nederlandse versie van de Italiaanse plaatsnaam Livorno, of 'in Lioren' was de bijnaam waaronder de Hoornse koopman en reder Pieter Jansz. in zijn tijd het best bekend was. Hij bewoonde blijkbaar een huis met een gevelteken waarop de stad Livorno was afgebeeld. De vader van Pieter Jansz., Jan Willems, was een bekende voorganger bij de fractie der 'Jonge Friezen' van de Doopsgezinden. De zoon was ook nog bekend onder de bijnaam, Pieter Jansz. Vael, 'naar de stemmige kleur van zijn gewaad'. Het was bij de Doopsgezinden inderdaad gewoonte zich onopvallend te kleden.

Pieter Jansz. was een man die op allerlei terreinen die met de zeevaart hadden te maken, niet alleen actief, maar ook erkend deskundig was. Zo adviseerde hij, als door de Staten-Generaal aangestelde'Raedt',de vice-admiraal Jan Gerbrandsz., commandant van de Nederlandse vloot die de kust van (Spaans) Vlaanderen blokkeerde, en had in deze functie een belangrijke inbreng in de ontwikkeling van nieuwe typen oorlogsschepen. Voor een Doopsgezinde was dat laatste ongetwijfeld in strijd met de leer van zijn kerk. Waarschijnlijk heeft hij daar ook moeilijkheden met zijn geloofsgenoten over gehad, wat zijn latere overgang naar de zogenaamde 'publieke kerk' zou kunnen verklaren. Op 12 juni 1612 werd hij gedoopt als lidmaat van de Gereformeerde kerk te Hoorn, volgens het doopboek 'out wesende vijftigh jaer' (Kuyper 1957).

De overgang van Pieter Jansz. hing misschien ook samen met de eis dat de meeste openbare ambten alleen door lidmaten van de Gereformeerde kerk bekleed mochten worden. In elk geval vervulde hij na deze datum ook de meer belangrijke plaatselijke bestuursfuncties, want in 1597, 1599, 1602, 1604, 1607 en 1611 was hij schepen, maar van 1612 tot 1613 was hij raad ter admiraliteit te Hoorn. In 1599 werd hij tot lid van de vroedschap benoemd,en in 1614, 1615 en 1618 fungeerde hij als burgemeester; in dat laatste jaar werd hij als Remonstrantsgezinde uit zijn ambt gezet door de stadhouder prins Maurits. We weten uit diverse acten dat hij tussen 8 november 1619 en 14 april 1620 overleden is. We komen Pieter Jansz. zelfs nog onder een derde bijnaam tegen, die naar zijn Doopsgezinde achtergrond verwijst. De Rotterdamse scheepsbouwmeester Cornelis van Yk lucht in zijn Nederlandsche Scheeps-Bouw-Konst Open Gestelt (1697) zijn bezwaren tegen de 'nauwheid' (slankheid) van koopvaardijschepen van die tijd. Zich beroepend op een werk van Simon de Vries, Wonderen op Zee, zegt Van Yk dat “voor eenige jaaren Pieter Jansz. de Mennonist, en Renier Pieters tot Hoorn” schepen lieten bouwen die de proporties van de ark van Noach bezaten. Van Yk citeert echter maar heel weinig, en dat weinige ook nog onzorgvuldig, uit dit interessante maar vrijwel onbekende werk, dat nog meer te melden heeft over deze schepen.

De volledige titel van het boek van Simon de Vries luidt: Wonderen so aen als in, en Wonder-Gevallen soo op als omtrent de Zeeën, Meyren, Poelen en Fonteynen. Het verscheen in Amsterdam in 1687. In de vorm van tafelgesprekken of samenspraken wordt een groot aantal onderwerpen behandeld, geheel in de trant van de antiquarisch-literaire tafelgesprekken Deipnosophistae (Filosofenmaaltijden) van de Hellenistische schrijver Athenaeus uit de tweede eeuw voor de jaartelling. Het is ook in de stijl van dit model, aandacht te besteden aan de scheepsbouw.

In het tafelgesprek in Wonderen op zee waar Van Yk naar verwijst, wordt naar aanleiding van een brief van Reinier Pietersz., inderdaad 'Pieter Jansz. de Mennonist' te Hoorn genoemd, die in maart 1604 de opdracht gaf tot het bouwen van enige schepen met de proporties van de ark van Noach. Een van deze schepen was honderdtwintig voet lang, twintig voet breed of wijd en twaalf voet hoog, inderdaad de proporties van de bijbelse ark. Een slanke fluit met dergelijke proporties wordt hier afgebeeld, in een fragment uit de gravure 'Panorama van Amsterdam' van 1647 van Jacob Savery (1617-1666).

Volgens De Vries werd de 'nieuwe Scheepsbouw' van Pieter Jansz. “eerst van de Schippers met belagchingh bespot, als een ydel voornemen, een ongeschickt werck, en geld te vergeefs verquist”. Later bleek evenwel dat deze slanke schepen met hetzelfde bemanningsaantal als dat van een gewoon schip een “geheel derde-deel meer laedingh konnen inneemen”, (en niet bijna twee keer meer, zoals Raleigh beweerde) en dat ze bovendien sneller zeilden. In de tijd van het twaalfjarig Bestand (1609-1621) werden deze schepen veel gebruikt, maar daarna raakten ze in onbruik omdat ze ongeschikt waren om geschut te voeren.

Tot zover De Vries, wiens uiteenzettingen in elk geval licht werpen op een tweeduidigheid in de tekst die Velius in de tweede druk van 1617 aan zijn kroniek toevoegde. Bestond de vernieuwing die aan Pieter Jansz. werd toegeschreven uit het bouwen van het eerste fluitschip op zichzelf, zoals tot nu toe meestal wordt aangenomen, of uit het toepassen van de bijbelse proporties van de arke Noachs op de fluit? Omdat uit de tekst van De Vries blijkt dat de eerste schepen voor Pieter Jansz. pas werden gebouwd in 1604, negen jaar nadat de eerste fluit op stapel was gezet, lijkt nu de tweede interpretatie de waarschijnlijkste.

De spot en hoon die de specificatie van Pieter Jansz. voor deze nieuwe schepen ten deel viel, worden door zowel De Vries als Velius vermeld. Er is geen redelijke twijfel mogelijk dat de vernieuwing die door Pieter Jansz. werd ingevoerd bestond uit de grotere slankheid die aan de romp van het reeds bestaande fluitschip werd gegeven. Het is opmerkelijk dat noch Velius, noch De Vries vermeldt wie de eerste fluit bouwde, of daar opdracht toe gaf. Er is geen reden ook dit toe te schrijven aan Pieter Jansz., want zijn naam wordt niet genoemd in de eerste druk van de kroniek van Velius van 1604, hetzelfde jaar waarin hij zijn opzienbarende scheepsbouwopdracht verstrekte. Wel is het aannemelijk dat hij parten (aandelen) bezat in een aantal van de meer dan tachtig fluiten die in de periode 1595-1603 in Hoorn werden gebouwd, en dat door de gunstige ervaring met het uitreden van deze schepen opgedaan, hij het aandurfde nog slankere fluitschepen te laten bouwen. Vermoedelijk zal Pieter Jansz., behalve geloof in de toepasbaarheid van de bijbelse scheepsbouw, nog wel andere redenen hebben gehad om vertrouwen te hebben in het ontwerp van de voor die tijd zeer slanke schepen, maar die hield hij blijkbaar voor zich. We kunnen daarom de spotters en hoofdschuddende commentatoren van die dagen wel begrijpen.