Een revolutie ter zee

Het wekt verbazing dat er zo weinig bekend is over de vroegste fluitschepen. Want de 'fluit', een wonder van vernuft, werd in korte tijd uitermate populair.

EEN KOOPVAARDIJSCHIP van een nieuw, karakteristiek en succesvol type werd in het jaar 1595 op stapel gezet: het eerste fluitschip. Er kwamen daarna in korte tijd zoveel fluiten in de vaart, dat vijftig jaar later er vele honderden, zo niet enkele duizenden, van rondvoeren. Ze maakten het grootste deel uit van de Nederlandse koopvaardijvloot. Op het vasteland van Noordwest-Europa werd dit type schip de voornaamste zeegaande koopvaarder. Voor een technische vernieuwing op scheepvaartgebied een ongewone triomf, hoogstens vergelijkbaar met de invoering van de scheepsschroef in de 19de eeuw. Het is daarom niet overdreven de opkomst van het fluitschip in de 17de eeuw te karakteriseren als een revolutie op het gebied van het transport te water.

Het historisch belang van deze omwenteling lag in haar maatschappelijke en economische gevolgen, maar het was onmiskenbaar ook een revolutie van technische aard. Er zijn verschillende verklaringen voor dit succes. Unger, in zijn boek Dutch shipbuilding before 1800 van 1978 noemt er enkele. Hij citeert Sir Walter Raleigh (1605), die als oorzaak de relatief kleine bemanning op Nederlandse schepen aangaf: er zouden op een Nederlands schip maar 7 man nodig zijn om de zelfde lading te vervoeren als 20 man op een Engels schip (we zullen zien dat hij ten minste een factor 2 overdreef). Unger noemt ook een anoniem, eveneens Engels rapport van 1669; volgens dit bedroegen de bouwkosten van een Nederlandse koopvaarder maar zo'n 40 procent van die van een vergelijkbaar Engels schip. Hagedorn, in zijn baanbrekend werk Die Entwicklung der wichtigsten Schiffstypen bis ins 19. Jahrhundert van 1914 zocht het vooral in het grotere aantal reizen per jaar dat Nederlandse schepen naar de Oostzee maakten. Waarschijnlijk hebben al deze factoren bijgedragen tot de buitengewoon gunstige concurrentiepositie die de Nederlanse reders met het fluitschip in het internationale scheepvaartverkeer van die tijd innamen. Wat betreft de bouw van de eerste fluitschepen verwijst Hagedorn, zoals ook de Nederlandse historicus Robert Fruin in 1857 in zijn beroemde Tien Jaren (1588-1598) deed, naar de kroniek van de stad Hoorn door de Hoornse arts en burgemeester Theodorus Velius. Volgens de eerste druk van 1604 van deze kroniek werden in het jaar 1595 in Hoorn voor het eerst de schepen gemaakt, “die men Hoorense gaings oft fluijten noemt”. Als bijzonderheden worden nog vermeld dat deze schepen viermaal zo lang als wijd (breed) waren, sommige nog langer, dat ze goed aan de wind zeilden, dus onder een scherpe hoek met de windrichting, en weinig diepgang bezaten. Al deze gunstige eigenschappen maakten dat dit een zeer gezocht scheepstype werd, waarvan in acht jaar meer dan 80 exemplaren “hier tot Hoorn uytgereet zijn tot groot profijt van de burgers”.

Als karakteristiek van dit scheepstype noemt Velius dus de voor die tijd grote 'slankheid' of lengte-wijdte verhouding en geringe diepgang: het komt erop neer dat het schip in verhouding langer was dan toen als normaal werd beschouwd. Dit is dus een van de weinige kenmerken van de vorm van de eerste fluitschepen die met zekerheid vaststaan. De relatief grote lengte van het schip impliceerde echter ook andere kenmerken, zoals het goed aan de wind zeilen.

In de tweede druk van zijn kroniek van 1617 vertelt Velius dat bij de verdere ontwikkeling van dit scheepstype de slankheid werd verhoogd tot 5 op 1 en 6 op 1, en hij noemt ook de naam van degeen die betrokken was bij deze vernieuwing, de reder Pieter Jansz. Lioorne. De tijdgenoten, die aan schepen met een slankheid van ongeveer 3 op 1 gewend waren, vonden deze hogere slankheid bespottelijk, maar moesten naderhand de voordelen ervan erkennen, en voelden zich zelfs gedwongen deze over te nemen. Helaas vormen deze summiere mededelingen van Velius tot nu toe de enige documentaire basis voor de opkomst van het fluitschip, ook in recente publicaties.

Tegen de achtergrond van deze unieke en belangrijke ontwikkeling is het verbazingwekkend dat er zo weinig bekend is over de eerste fluitschepen, want voor zover wij weten is nergens vastgelegd hoe ze eruitzagen. Ook tasten we in het duister bij de verdere evolutie van dit nieuwe scheepstype van 1595 tot circa 1640. In moderne Nederlandse scheepshistorische inleidingen, zoals die van Unger (1994), van Beylen (1970) en Crone (1939), wordt deze periode in de ontwikkeling van het fluitschip min of meer genegeerd; na de vermelding van de constructie van de eerste fluitschepen door Velius volgt dan een beschrijving van de verdere ontwikkeling aan de hand van meestal redelijk betrouwbare illustraties die echter niet verder teruggaan dan 1640-1650. Dit is wel begrijpelijk, want duidelijke afbeeldingen van fluitschepen van voor die datum zijn zeldzaam.

Toch zijn ook daar wel enkele van bekend. De oudste afbeelding die we herkennen als die van een fluitschip is een reliëf op een gevelsteen van 1616 in de stad Hoorn, door Morton Nance in 1911 gepubliceerd. Enkele huizen verder bevindt zich nog zo'n gevelsteen, van 1618. Deze schepen, die geen geschut voerden, hebben al het peervormige bolle achterschip en de voor die tijd lage opbouwen voor en achter van de latere fluiten. Ook Hagedorn zal Morton Nances pentekening van de Hoornse gevelsteen wel hebben gekend, want hij schreef dat het nieuwe scheepstype na de bouw van de eerste exemplaren nog een ontwikkeling van ruim twintig jaar doormaakte, “voordat deze een soort van kanon in de scheepsbouw vormde, die zich bijna een eeuw handhaafde. De afzonderlijke fasen van de eerste ontwikkeling onttrekken zich aan onderzoek. (...) Ze waren zo simpel als maar mogelijk is en bestonden uit een groot laadruim met een hut op het achterdek. Ze voerden geen geschut”.

Nog twee vroege afbeeldingen van fluiten, een van 1625 en een van 1632, komen we tegen in kerken. De eerste is vastgelegd in een gebrandschilderd raam van de Grote Kerk te Edam, in een voorstelling die een overzicht geeft van een scheepswerf uit die tijd. Deze werd in 1994 door Hoving opgenomen in zijn boek Nicolaes Witsens Scheeps-Bouw-Konst Open Gestelt. De tweede, een fraai exemplaar, is weergegeven in een reliëf op een grafzerk afkomstig uit de Martinikerk in Bolsward. Dit is de nogal schrale oogst wat vroege fluitafbeeldingen betreft. Samen met de medelingen van Velius vormen deze afbeeldingen de basis van onze huidige, zeer onvoldoende, kennis van de vroegste fluitschepen. Deze gegevens zijn niet toereikend voor meer dan dat: door het ontbreken van andere historische bronnen is in feite een impasse ontstaan. Een weg naar een nieuwe bron wordt in het volgende geschetst. Deze voert via de biografie van de door Velius in 1617 genoemde Pieter Jansz. Lioorne.