VROEGSTE GEHEUGENS KUNNEN TERUGGAAN TOT RUIM TWEE JAAR

De vroegste herinneringen kunnen teruggaan tot de leeftijd van twee jaar en vier maanden. Dit concluderen twee Britse psychologen uit een onderzoek naar de herinneringen aan de geboorte van een jonger broertje of zusje bij 69 volwassenen. (Journal of Experimental Psychology: General, 1998 nr. 1 pp. 22-33).

De proefpersonen hadden allen één broer of zus die twee tot ruim drie jaar jonger was. Ze moesten vragen beantwoorden als: wie vertelde jou dat je moeder naar het ziekenhuis ging; kreeg jij cadeautjes toen je broertje/zusje geboren werd, waar was je toen je je broertje/zusje voor het eerst zag? Proefpersonen die minder dan 2 jaar en 3 maanden ouder waren dan hun broertje/zusje konden zich vrijwel niets herinneren. Maar 75 procent van de groep die tussen de 2 jaar, 4 maanden en 2 jaar, 11 maanden oud was ten tijde van de geboorte van het jongere kind, kon ten minste drie van 33 vragen beantwoorden. De leeftijdsindeling in het onderzoek is te grof om een scherpe lijn te trekken, maar het kan volgens de psychologen geen toeval zijn dat juist ook in de eerste helft van het derde levensjaar een explosieve groei van het taalgevoel bij kinderen plaatsvindt en ook het voorstellingsvermogen enorm groeit.

Het grootste gevaar van de 'vroegste herinneringen' is dat deze vals zijn en in werkelijkheid gebaseerd op latere familieverhalen of foto's. De psychologen, M.J. Eacott van de University of Durham en R.A. Crawley van Sunderland University, hebben een ingenieuze onderzoeksopzet bedacht om deze vertekening enigszins te ondervangen. Ten eerste ondervroegen zij bij een groot deel van 69 proefpersonen ook hun moeder, die eerst zelf de vragen over de geboorte van haar tweede kind moest beantwoorden en vervolgens de antwoorden van de oudste op waarheid moest beoordelen. De meeste antwoorden bleken volgens de moeder wel te kloppen. Maar ook ondervroegen de psychologen 57 andere volwassenen naar omstandigheden rond hun oudere broer of zus ten tijde van hun eigen geboorte. Van die gebeurtenis kunnen zij geen enkele eigen herinnering hebben en wat ze er niettemin van weten is dus zeer geschikt om na te gaan hoeveel 'familieverhalen' doorgaans over het lot van het oudere broertje of zusjes ten tijde van zo'n ingrijpende gebeurtenis bekend zijn. De antwoorden van de jongere kinderen bleken, in tegenstelling tot de herinneringen van de andere groep, niet afhankelijk te zijn van het leeftijdsverschil (dus geen breuk in het begin van het tweede levensjaar). Verder kon de jongere-kindergroep veel meer vragen beantwoorden, waaruit blijkt dat de oudere groep zich in ieder geval gedeeltelijk had beperkt tot 'echte' herinnering (zoals hun ook bij herhaling werd gevraagd). Zo bleek in de familiegeschiedenis vrij nauwkeurig bewaard wie er tijdens de geboorte op het oudere kind had gepast, terwijl deze vraag door de oudere-kindergroep zelf (op grond van alleen het eigen geheugen) vrijwel niet beantwoord werd. Opvallend is ook dat de antwoorden van de jongere controlegroep vaker als onwaar werden afgekeurd door hun moeder dan bij de 'echte geheugen'-groep het geval was (20 tegen 13 procent).