Indië is voorbij en niet-voorbij; Rob Nieuwenhuys over zijn roman in beelden

Afgelopen dinsdag is Rob Nieuwenhuys negentig jaar geworden. Uitgeverij Querido brengt opnieuw zijn drie fotoboeken 'Tempo doeloe - een verzonken wereld' uit en er verschijnt een vriendenboek. Nieuwenhuys verzet zich tegen nostalgie: “Ik haat de term tempo doeloe”.

Rob Nieuwenhuys: Baren en oudgasten, Komen en blijven, Met vreemde ogen. Tempo doeloe - een verzonken wereld. Drie delen. Uitg. Querido. Prijs ƒ 90,00.

Met andere ogen. Liber amicorum voor Rob Nieuwenhuys. Met bijdragen van Hella S. Haasse, Rudy Kousbroek, K. Schippers, J. Bernlef e.a. Uitg. Querido. Prijs ƒ 29,90.

Begerenswaardig en onvergetelijk zijn ze, de drie Indische fotoboeken die Rob Nieuwenhuys wijdde aan tempo doeloe - een verzonken Indische wereld. Maar al te vaak zijn ze verkeerd begrepen. Urenlang kunnen mensen, of ze nu een band met het voormalige Indië hebben of niet, doorbrengen met die boeken vol fotografische documenten uit het oude Indië tussen 1870 en 1920. Indische families, vulkanen, landschappen, de Europeanen in hun paleizen en de inlandse bevolking in de kampong, de passageboten, spoorlijnen, de inlandse vorsten, zomaar een brug over een rivier, een dorpsplein, de alun-alun, met in het midden de heilige boom ofwel waringin: het trekt aan onze ogen voorbij in honderden zwart-wit opnamen van gemiddeld een eeuw geleden. Het gaat over het voorbije, en dat laat niemand ooit los.

Niet zelden gebeurt het dat de aandachtige beschouwer zelf vervuld raakt van nostalgie naar het oude Indië. Daarom geldt de samensteller ervan zo gemakkelijk als een man wiens leven wordt bepaald door heimwee naar vroeger.

Rob Nieuwenhuys werd in 1908 in Semarang geboren uit het huwelijk tussen een Indo-Europese vrouw en een Hollandse man. Nieuwenhuys kreeg een Indische opvoeding van zijn moeder. Was hij ziek, dan kwam er geen blanke dokter aan te pas. Wel een Indische, met magische rituelen.

Nu zegt Nieuwenhuys in zijn woonkamer op de tweede verdieping aan de Amsterdamse Stadionweg: “Ik haat de term tempo doeloe.” Hij maakt een wegwerpend gebaar, en laat dat volgen door een kort, licht spottend lachje: “Nostalgie, heimwee, tempo doeloe: het zijn verschrikkelijke woorden. En iedereen begrijpt ze verkeerd. Ik heb geen heimwee naar het vroegere Indië. Dat is voorbij, het is dood, het is verzonken. Dat maakt me niet opstandig, ik aanvaard het.”

De trilogie Tempo doeloe - een verzonken wereld bestaat uit Baren en oudgasten, Komen en blijven en Met vreemde ogen. Al in 1961 verscheen een eerste proeve, kortweg Tempo doeloe geheten, zonder de ondertitel 'een verzonken wereld'. Toentertijd leefde Nieuwenhuys in de veronderstelling dat tempo doeloe dichter bij lag, dat er nog mensen leefden die het hadden meegemaakt. Letterlijk betekent het 'tijd van vroeger'. Gedrevenen door nostalgie hebben er echter een andere betekenis aan toegevoegd, geïnspireerd door 'doeloe' dat zo zoet klinkt. Dus: 'Zoete tijd'.

Nieuwenhuys, die zich niet als schrijver beschouwt maar als publicist met een wetenschappelijke instelling, beziet het rigide: “Er is altijd een 'tijd van vroeger' geweest. Iedereen heeft zijn tijd van vroeger. Die voorbije tijd is een tijdperk, een wereld ook, die nog geen echt verleden tijd is geworden. De banden ermee zijn nog zichtbaar en navoelbaar. Het is voorbij en tegelijkertijd niet-voorbij.” Maar hoe rigide is Nieuwenhuys in de fotoboeken? Want bij het kijken naar die foto's van vroeger dringt zich hoe dan ook een stemming van melancholie op, om het voorzichtig uit te drukken.

Uit de verte

In de drie boeken heeft Nieuwenhuys een motto opgenomen van Susan Sontag, gelicht uit haar boek On Photography (1977): “Photographs actively promote nostalgia. Photography is an elegic art, a twilight art. All photographs are memento mori”. Op de vensterbank achter Rob Nieuwenhuys staan enkele potten met uitgebloeide christusdoorns. Het is bijna een haag die de buitenwereld tegenhoudt. “Dat 'memento mori',” zegt hij, “raakt de kern van mijn fotoboeken. Ikzelf ben nu negentig, mijn vrouw is drie jaar geleden overleden, en ik kan het niet anders zien dan dat mijn dood ook dichterbij komt. Ach, wat maakt het ook uit een mens meer of minder op de wereld.” Opnieuw dat lachje.

Nieuwenhuys beschouwt de fotografie in zijn boeken als kunst: “Fotografie geeft de wereld vervormd weer, alleen al door de technische omstandigheden van toen ontstaat er een sfeer van een andere wereld. Door de belichting van vier minuten is de oogopslag van de figuren verstarder, afweziger ook. De fotografen arrangeerden het beeld, waardoor je nooit krijgt wat de fotografie nu biedt: de vluchtige snapshot. Het lijkt of de mensen ons uit de verte aankijken.

“Ik heb duizenden en duizenden foto's in handen gehad. Ik plaatste advertenties in Indische bladen met de vraag of mensen mij hun familiealbums wilden laten inzien. Want mijn allereerste belangstelling geldt mensen, familieverhoudingen, drama's tussen gezinsleden. Een foto met een stadsbeeld zegt me minder. Mijn Indische opvoeding betekent allereerst: eindeloze verhalen aanhoren over de mensen die mijn moeder kende, zelf of van horen zeggen. Mijn vader was in mijn vroegste kindertijd beheerder van Hotel du Pavillon in Semarang en later van Hotel des Indes in Batavia. Ik was aanvankelijk een echte koloniaal. Op mijn dertiende ontsloeg ik zelfs een bediende. Ik zei tegen haar, in het Maleis: 'Dat de bliksem je moge treffen'. Ik herinner me dat ze met opgeheven hoofd van het erf af liep, ze wilde zelfs geen salaris meer. Mijn moeder was er zeer boos over.

“Ik voel het oude Indië aan, ik koester er veel liefde voor maar heb ook kritiek op de koloniale verhoudingen. Rond mijn zestiende, op de HBS van Soerabaja, kwam de ommekeer. Een leraar economie liet ons het Marxistisch manifest lezen en ik moest een scriptie schrijven over Marx en Engels. Mijn gevoeligheid voor hun theorie over de onafhankelijkheid van de kolonieën werd aangescherpt door een Indonesische vriend van me, een klasgenoot. Ik werd zelfs lid van de communistische partij. In Holland hadden de communisten als leuze: 'Indië vrij van Holland, nu!' Een voorbeeld van het kolonialisme was dat mijn vriend nooit bij mij thuis over de vloer kwam, en ik wel bij hem.

“Hij nam mij eens mee in Semarang naar een Chinees bordeel. Op een motorfiets, een rode tweedehands Indian, reden we erheen. De meisjes, vaak nog heel jong, paradeerden voorbij. Ik koos voor een Chinees-Hollands meisje, maar eenmaal in haar hokje aangekomen voelde ik me beschaamd en rende weg, nam een taxi naar huis. Ik was zo onhandig dat tegen mijn moeder te vertellen. De volgende dag had ze een njai, een bijzit, voor me geregeld. En dat op je zeventiende. Toch was het gebruikelijk, zeker in rijke Indische en in Chinese kringen. Ik werd verliefd op haar en zij op mij. We stoeiden alleen wat, zo'n spelletje gelout-gelout waarin je achter elkaar aanrent. Op een dag ging ik naar haar kamertje en gebood haar zich uit te kleden, haar sarong los te knopen. Ze spreidde haar vingers tot een waaier voor haar gezicht en bewoog die heen en weer voor haar ogen; ze weigerde. Ik behandelde haar als een prostituee. Ineens besefte ik dat ik haar had verloren. Ik ging terug naar mijn kamer en huilde. De volgende dag is ze vertrokken, terug naar de kampong waar ze vandaan kwam.”

Suezkanaal

“Indië is nooit een ideale samenleving geweest. Het was voor de Europeanen een gemengde samenleving, in die zin dat veel jonge, pas aangekomen mannen een inlandse vrouw als bijzit namen. Kwamen uit zo'n verbintenis kinderen voort, dan kon de man die erkennen en dan verdwenen ze niet in de kampong. Het omgekeerde gebeurde veel vaker. Het drama diende zich vooral aan als de blanke echtgenote overkwam uit Nederland, wat steeds meer gebeurde na de opening van het Suezkanaal op die gedenkwaardige dag 17 november 1869. Rond die tijd laat ik tempo doeloe ook beginnen, want toen gebeurde er iets wat in de Europese kolonieën tamelijk zeldzaam is: blanke gezinnen streken neer in den vreemde.

“Door onvermijdelijke vermenging ontstond er later de kenmerkende Nederlands-Indische familie, wijdvertakt en toch intens saamhorig. Mijn haat en liefde, mijn kritiek en compassie, ze zijn geleidelijk in mij geëvolueerd. Ik heb nooit mijn ogen gesloten voor wat Nederland aan slechts heeft verricht, maar niemand mag vergeten dat er binnen de koloniale verhoudingen een grote mate van intimiteit heerste tussen de blanke en de inlandse bevolking. Niet voor niets gaven legio mannen de voorkeur aan de kampong. Daar heerste een saamhorigheid die de blanke samenleving ten enen male miste.”

Vlak nadat Nieuwenhuys op zijn achttiende, in 1936, eindexamen HBS had gedaan, verhuisde het gezin naar Den Haag. Zijn Indische moeder haatte dit land, en binnen zes maanden had ze haar man zo ver gekregen dat ze weer teruggingen. Naar Indië.

Terwijl Rob Nieuwenhuys vertelt over zijn herinneringen aan zijn moeder en hoe zij voor hem het beeld van Indië bepaalt, hoe zijn band met tempo doeloe via haar loopt en dat dit tijdperk eigenlijk haar wereld is, onderbreek ik hem met de vraag of hij zich ook in Nederland ontheemd voelt. Zijn stroom herinneringen rolt zich verder uit als een serpentine. Opeens hoort hij mijn vraag. Hij kijkt even verschrikt op, wacht een paar tellen. “Een ontheemde? Nee,” antwoordt hij resoluut. “Ik heb niet de geringste behoefte daar nu te willen wonen, al helemaal niet vanwege de politieke omstandigheden. Maar ik moet leren aanvaarden dat de tijd voorbijgaat. Misschien wel de moeilijkste opgave in een mensenleven, zeker op mijn leeftijd. Er is een gedicht van Leopold waar ik troost aan ontleen. Het komt uit de reeks 'Oostersch'. Zal ik het voorlezen? Het gaat zo: 'Hoe ook het lot met kwelling u mag slaan,/ wees stil, gij maakt het erger, laat begaan;/ wie duwt de golven van de zee terug?/ het pogen zelf doet weer een golf ontstaan.' Dat is mooi, ja?”

Hij zou willen schrijven als Willem Walraven, zijn grote voorbeeld, ook omdat deze schrijver een inlandse vrouw had getrouwd. Hij plaatste zich daardoor buiten de zo dwingende Europese samenleving en groeide toe naar de inlandse. Nieuwenhuys was graag dichter betrokken geweest bij de Indische kringen.

Saamhorigheid

Wat is dan dat befaamde 'Indische'? Een moeilijke vraag. Nieuwenhuys, met onmiskenbaar iets slepends-Indisch in zijn stem, vindt het moeilijk woorden als 'saamhorigheid' of 'familiaal' te gebruiken, omdat die altijd verkeerd worden begrepen. Uiteindelijk zegt hij: “Er is hier een Indische club. Als ik daar kom, ken ik aanvankelijk niemand. Toch spreekt iedereen me aan met 'je'. Ik denk dat dat het is. Het is die tederheid die ik altijd heb ervaren in Indië, ondanks de hiërarchie van de verhoudingen. Ik denk dat dat ik dat zoek: tederheid. Omringd worden door mensen.”

Nieuwenhuys heeft een scherp oog voor het menselijke drama, dat uit foto's spreekt. Een van zijn boeken, Vergeelde portretten. Uit een Indisch familiealbum (1954), geschreven onder het pseudoniem E. Breton de Nijs, getuigt al van aandacht voor portretten van mensen. Urenlang kan hij naar een foto kijken. Aangrijpend is de reeks, opgenomen in Baren en oudgasten, over een jonge Hollandse vrouw die, mooi en krachtig, aan het eind van de vorige eeuw in Indië aankomt. Haar man nam foto's van haar; ze heeft een regelmatig profiel, brede mond, volop donker haar, donkere ogen. Ze zal nog geen twintig zijn. Hun eerste kindje werd op 29 september 1888 in Soerabaja geboren; het stierf op 14 oktober van hetzelfde jaar. Om van de emoties te bekomen trekt het echtpaar zich terug in de eenzaamste van de eenzaamste berghutten. Het is allemaal vastgelegd; de tocht erheen, de hut op de koude bergflank, de verlatenheid. Het dode kindje - dode kinderen werden in die tijd gefotografeerd - staat in het album afgebeeld als een engeltje. De vrouw krijgt nog vier kinderen, van wie er drie aan cholera sterven. Op een foto ligt weer een dood kindje opgebaard, een foto van haar vader erbij. Dat betekent dat hij afwezig is, ergens ver weg op dienstreis, in onwetendheid over het verlies. Zestien jaar later, de jonge mevrouw Mertens is dan rond de vijfendertig, ziet ze er oud uit, getekend, vermoeid, verdrietig. Ze is weer in verwachting. Haar gezicht is doortrokken van de sporen van haar levensdrama, zonder enige hoop.

“Het is misschien mijn verdienste geweest,” zegt Rob Nieuwenhuys, “dat ik die foto's aan de vergetelheid heb ontrukt. Ik heb van de Nederlands-Indische geschiedenis een roman in beelden gemaakt over mensen en hun onderlinge verhoudingen in dat gindse land. Ja, foto's als memento mori. Want de stilte, dat is de vergetelheid, het niet meer bestaan, zelfs niet in de herinnering. Al die mensen in mijn boeken zijn vergeten, ze bestaan helemaal niet meer. Hun foto's zijn er wel. Ik kijk ernaar met mijn Indische verleden, want ik ben Indisch. In Indië ruist de regen harder, voelt het gras aan je blote voeten harder en stug aan. Zulke details.”