Zwartkijker

Ik heb de wedstrijd samen met mijn oudste zoon bekeken. Waarbij ik weiger mee te delen om welke wedstrijd het ging, aangezien er gisteravond slechts één wedstrijd is gespeeld in heel de wereld. Het is waarachtig nog goed afgelopen ook, maar we hebben hem zitten knijpen als twee oude dieven.

De situatie werd verergerd door de jammerlijke omstandigheid dat mijn zoon - normaal toch een redelijk fleurig type - een pessimistische kijk op het Nederlands elftal met zich meedraagt. Zodra de Oranje-shirts de kleedkamer achter zich hebben dichtgeslagen houdt hij rekening met een geweldige portie rampspoed. Nog tijdens de volksliederen geeft hij daarvan blijk. “Ik weet het niet pa, maar ik heb het angstige gevoel dat het vanavond mis gaat. Die Guus aarzelt mij te veel. Nou heeft ie Jonk er weer naastgezet. En pas stond nog in de krant dat hij en Winter vaste waarden voor de ploeg waren.”

Van zo'n inleiding word ik zenuwachtig. Er is nog niet eens afgetrapt of er hangt al een inktzwarte wolk over Oranje. Waar is dat voor nodig, dat pessimisme? “Jongen, praat ons niet de put in. Hier staat toch een prima Nederlands elftal, dat zich al lang hersteld heeft van dat uitglijertje tegen Mexico en dat overschuimt van talent. Weet je niet dat we sedert 1974 niet zo'n goed WK-stel bij elkaar hebben gehad?”

Maar hij blijft narigheid uitstralen. Hooguit vijf minuten is de wedstrijd oud als hij hoofdschuddend opmerkt dat Seedorf hem allerminst bevalt. Veel te veel balverlies. “Hij zit niet lekker in zijn vel, neem dat van mij aan.” Maar ik wil niks van hem aannemen. Wat kan hij ervan weten? Ooit speelde hij als knulletje van tien een poosje voetbal en stond ik hoopvol te kleumen langs de lijn, maar hoe ik ook tuurde naar talent, er viel weinig te ontdekken. Tennissen kan hij aardig, maar voetballen: en dan toch een pertinente mening hebben over een sport die nooit echt de zijne is geworden. In de rust krijgt hij in zijn negativisme ondersteuning van de koning der kenners, Cruijff himself. Sorry, maar het duo Cruijff-Egbers werkt op mijn lachlust. De een is een positivo tot in het overdrevene, terwijl de ander een keihard realisme uitstraalt waarbij het Oranjezonnetje verbleekt.

Als ik voorzichtig uitleg dat Cruijff wel heel hoge eisen stelt en dat hij vanaf de tribune net zo makkelijk praten heeft als wij aan ons toestel, dan wijst mijn zoon er fijntjes op dat we het hier hebben over de man die eens 's werelds beste was. “Hij weet het, pa, al die anderen weten het niet.” Tobberig verstrijkt de tweede helft, ons beurtelings in hoop en vrees dompelend. Scoort Oranje dan wordt er daverend op de tafel gebeukt. Scoren de Joego's dan moeten we blijkbaar alle hoop laten varen. “Guus, waar blijven je wissels? Doe wat, man. Zie je niet dat het mis gaat?” Hoewel ik het weiger toe te geven beklemt mij ook de vrees dat Guus het moment suprème voorbij laat gaan. Waarom komt Zenden er niet in? Wordt het geen tijd voor Pierre van Hooijdonk? Evert ten Napel ziet geen enkele beweging rond de spelersbank. “Hij durft niet”, constateert mijn zoon. “Guus is bang om in te grijpen.” Hij hangt nu lusteloos op de bank en maakt de indruk het liefst het toestel de nek om te draaien en een goed boek te gaan lezen.

Maar dan zorgt Edje voor de ontlading. Overmand door kramp lijkt hij rijp voor vervanging, maar alle krachten die hem resteren vloeien samen in die enorme schuiver, die 2-1 betekent. Mijn zoon springt overeind. “Edje, ik hou van je.” Waar is de duistere scepticus gebleven? Zelfs het tactisch diepgravend verhaal van de maestro over één-op-één en alles wat daarbij zou kunnen komen kijken, gaat aan hem verloren. De toestand was zorgelijk, maar alles is goed gekomen. Hij begeleidt me naar de auto en straalt louter tevredenheid uit. “Leuke avond, pa, dat moeten we vaker doen.”