Wat niet hoort wat niet deert

Wat moet de overheid doen tegen Turkse politieke activisten die hier komen ageren tegen “de Westerse dwaling van de democratie”, hun aanhang waarschuwen tegen “assimilatie in het barbaarse Europa” en de gelegenheid te baat nemen om de West-Europese democratieën af te schilderen als “werktuigen van het geheime joodse wereldcomplot”? Een gemeente die van tevoren zou weten dat de sprekers op de bijeenkomsten van de Nederlandse afdeling van de Turkse islamitische beweging Milli Görmüs in die termen tegen het Westen en het “pro-Westerse Israel” tekeer zouden gaan, zou zich wel wachten om een vergunning zonder meer af te geven.

Maar het probleem is dat de gemeente in het algemeen vooraf niet weet wat de gastsprekers in hun schild voeren, zelfs niet bij een optreden van geregistreerde oproerkraaiers die uit Duitsland geweerd zijn omdat ze daar “een gevaar voor de vrije democratische rechtsorde” opleverden. Zo kwalificeerde althans de rechtbank in Hamburg de Turkse islamitische beweging in 1995.

In Amsterdam zochten woordvoerders van het stadhuis en de politie vorige week even naar woorden toen er meldingen binnenkwamen van antisemitische agitatie op een bijeenkomst van 40.000 Milli Görmüs-sympathisanten in de Amsterdamse Arena. Het middelpunt van die bijeenkomst was de vroegere Turkse premier Necmettin Erbakan, de leider van de in Turkije verboden islamitische Refah Partisi, die de grondwettelijke scheiding van kerk en staat in Turkije ongedaan wil maken en langs parlementaire weg de staat onder het gezag van de godsdienst wil terugbrengen. Erbakan had, volgens de fragmentarische berichten die uit de Arena kwamen, in zijn nationalistische opwekkingsvertoog dezelfde anti-Westerse riedel ten beste gegeven die hem in Duitsland zijn bewegingsvrijheid had gekost. Het in Den Haag gevestigde CIDI (Centrum Informatie en Documentatie Israël) bracht onmiddellijk de verantwoordelijkheid van de verhuurinrichting in het geding. De overheid is verantwoordelijk voor de openbare orde, maar ook een verhuurinrichting is volgens het CIDI verantwoordelijk voor haar verhuurbeleid. De Arena verschool zich achter een smakeloze neutraliteit, zich erop beroepend dat zij niet hoeft te keuren wat door de overheid al gekeurd is.

De Amsterdamse autoriteiten wisten niet wat ze ervan moesten denken. De berichten waren noch eenduidig noch volledig en de dienstdoende rapporteurs die namens de gemeente de bijeenkomst in de Arena hadden bijgewoond konden weinig opheldering verschaffen doordat ze de Turkse taal niet machtig waren. Een woordvoerster van de gemeente verzon een list die de schijn van aannemelijkheid had: het was een besloten bijeenkomst geweest. Waar maakte men zich dus druk om? Het was een loze uitvlucht. Het stadion was met 40.000 Turkse supporters van Erbakan voor viervijfde gevuld en met zoveel publiek kan er van een besloten bijeenkomst geen sprake zijn.

De vraag wat de overheid had moeten doen om de rally binnen de perken van de Nederlandse rechtsorde te houden had intussen zijn belang verloren. Relevant is alleen nog wat zij in het vervolg moet doen.

Het ligt niet in de rede om buitenlanders te verbieden wat Nederlanders wordt toegestaan. Bovendien is de grondwettelijke vrijheid van meningsuiting sterk genoeg verankerd om bestand te zijn tegen anti-Westerse kritiek, zelfs tegen agitatie. Wij zijn zo overtuigd van de kracht van de liberale democratie en wij vinden de democratie zo vanzelfsprekend dat we de preventieve censuur uit ons systeem hebben gebannen. We zeggen liever dat alles moet kunnen en we zullen de laatsten zijn om de etnische minderheden, die toch al in een uitzichtloze achterstandssituatie zitten, in hun politieke vrijheidsrechten te beknotten. De overheid moet rechtvaardig zijn tegenover iedereen. Zij moet echter ingrijpen als de vrijheid van de ene groepering de veiligheid van de andere bedreigt. Dat geldt zeker voor de antisemitische uitlatingen van Milli Görmüs' woordvoerders in de Duitse periodieken van die beweging, waarop de Nederlandse politie de hand heeft gelegd, zoals de uitroep 'Dood aan Rabin' - toen Rabin nog niet dood was. En zij kan ook niet langer doen alsof zij geen boodschap heeft aan politieke redevoeringen die worden gehouden in talen die zij niet verstaat. Aan goede vertalers is geen gebrek, en evenmin aan uitvoerige documentatie over de verrichtingen van de nationalistische politici in ballingschap.

Een goed voorbeeld daarvan is het onlangs door het ministerie van Binnenlandse Zaken gepubliceerde rapport van de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD), getiteld De Politieke Islam in Nederland. Het is een genuanceerde inventarisatie van de politieke activiteiten van de tientallen islamitische organisaties in Nederland, waarin zowel de organisatorische netwerken van de hier werkzame islamitische clubs als hun politieke invloeden in kaart zijn gebracht.

De hier en daar nog sluimerende gedachte dat het met de activiteiten van het Turks nationalisme in Nederland wel losloopt, zal tegenover dit rapport niet lang standhouden. De naïeve tegemoetkomendheid van de lokale overheid in Nederland lijkt trouwens haar langste tijd wel te hebben gehad. In Den Haag voert burgemeester Deetman sinds kort een strenger spandoekenbeleid dat waarschijnlijk wel navolging zal vinden in Rotterdam en Amsterdam. Deetman gaat niet langer uit van de gedachte wat niet hoort, wat niet deert, maar geeft nog slechts vergunning voor het houden van politieke optochten en demonstraties als hij vooraf vertalingen van de leuzen te zien krijgt. Dat is een onmiskenbare omslag vergeleken met het beleid van zijn voorganger Havermans.

In zijn nuchtere onomwondenheid is Deetman een nieuwe weg ingeslagen naar een nieuw realisme in het openbaar bestuur. De etnische politieke vrijstaten worden weer in het gemenebest teruggebracht en de burgemeester is weer, als vanouds, de baas over de openbare orde.

    • Harry van Wijnen