'Veel kunst uit bezit van joden in Britse depots'

ROTTERDAM, 30 JUNI. Britse depots en privé-collecties moeten zo'n vijfhonderd kunstwerken herbergen die de Duitsers tijdens de oorlog van joden hebben weggenomen. Het gaat onder veel meer om schilderijen van Titiaan, Renoir en Picasso, die vooral Britse kunsthandelaren tussen 1933 en 1945 op veilingen in Zwitserland hebben aangekocht.

Dat meldt het Britse zondagsblad The Sunday Times van het afgelopen weekeinde. Het aantal van vijfhonderd heeft de krant gebaseerd op onderzoekingen van Trace, een organisatie die via databanken door de nazi's gestolen kunstwerken traceert. Inmiddels heeft de Britse staatssecrataris van Cultuur de musea gevraagd, net als in Nederland onlangs gebeurd is, de herkomst van tijdens en na de oorlog verworven kunst te onderzoeken en ook de catalogi van eerder gehouden tentoonstellingen, met particuliere bruiklenen, grondig te bekijken. De betrokken musea zijn overeengekomen dat een team van deskundigen daarna de eventueel omstreden werken zal proberen thuis te brengen.

Lange tijd is ten onrechte aangenomen, aldus de Amerikaanse woordvoerder van het Holocaust Art Restitution Project, dat Engeland zichzelf niet met 'Beutekunst' had verrijkt. De kwestie 'Oorlogskunst' staat vanwege twee actuele kwesties in Engeland ineens hoger op de agenda. De Amerikaanse broers Nick en Simon Goodman, die samen met hun familie in de jaren veertig vanuit Nederland naar Engeland vluchtten, hebben in Londen onlangs drie werken uit de verzameling van hun familie gesignaleerd. Rijksmaarschalk Göring nam in totaal dertig schilderijen van de Goodmans, toen nog Guttman, in beslag. Al geruime tijd zijn de broers op zoek naar hun bezittingen. Een doek van Renoir en twee 18de-eeuwse gezichten op Venetië van Francesco Guardi, blijken in Londen te zijn.

De tweede kwestie betreft een claim van vijftien miljoen gulden, vorige week ingediend door de Hongaarse jood Gabor Bedo. Diens vader, de hoogleraar Rudolf Bedo, liet kort voor de oorlog honderdvijftig kunstwerken uit veiligheidsoverwegingen naar Londen overbrengen. De werken van onder anderen Jan van Goyen, Tiepolo en Renoir werden tijdens de oorlog als 'vijandig bezit' door de Britse regering geconfisqueerd, aangezien Hongarije zich een bondgenoot van Duitsland betoonde. Toen in 1955 dezelfde collectie zonder enige ruchtbaarheid bij het veilinghuis Phillips onder de hamer kwam, kon Bedo sr., die dankzij valse papieren de oorlog overleefde, vanachter het IJzeren Gordijn niets uitrichten.

Pas in 1990, na de val van de Berlijnse muur, ging diens zoon in Londen op zoek naar de verzameling, zo meldt The Times. Rudolf Bedo was in 1987 overleden. Om destijds een uitvoervergunning te krijgen, waren de werken zo laag mogelijk getaxeerd. Uit documenten blijkt nu dat Phillips de Bedo-collectie aanbood als zijnde 'een pakket huishoudelijke artikelen', goed voor een totale opbrengst van 4.700 Britse ponden. Een doek van Renoir kwam voor tien ponden onder de hamer.

Verder blijkt dat de vooraanstaande, Londense kunsthandel Colnaghi bij het verhandelen van enkele schilderijen uit Bedo's bezit betrokken is geweest. Colnaghi, die ontkent ook maar iets over de herkomst te weten, bezit onder meer een 14de-eeuws paneel van de Florentijnse meester Jacopo di Cione, dat vroeger bij de Bedo's thuis hing.

De Britse regering heeft vorige week Lord Archer of Sandwell aangesteld om bij de claims te bemiddelen. In maart j.l. zegde Engeland al toe geconfisqueerde tegoeden van nazi-slachtoffers te compenseren. De waarde van de Bedo-collectie wordt nu geschat op vijftien miljoen gulden.