Markt en macht

EEN DOMINANTE marktpositie is het, meestal onuitgesproken, doel van elke ondernemer. Van de bakker op de hoek tot producenten van auto's op wereldschaal. Niets is zo profijtelijk voor topmanagers en hun aandeelhouders als macht over de markt. Nu ondernemen in de jaren negentig overnemen is geworden heeft de samenklontering in het bedrijfsleven een ongekende dynamiek gekregen.

Marktleiders kunnen in sterk geconcentreerde bedrijfstakken niet alleen de toon zetten, maar ook het prijsniveau dicteren, dat vervolgens zonder probleem wordt gevolgd door de meeste kleinere goden. De consument betaalt de extra winsten of betaalt de prijs door lagere kwaliteit of slechtere dienstverlening.

Tegen die achtergrond was het een kwestie van tijd en politieke opportuniteit alvorens de koortsachtige fusie- en overname-activiteit vaker zou botsen op de bewakers van de concurrentieverhoudingen. In Europa vertaalt zich dat in volle agenda's voor Brusselse trust busters, adviseurs en lobbyisten, in Amerika onderzoekt de overheid concurrentiebeperkend gedrag van Microsoft en Intel, ondernemingen die doorgaans als voorbeeld worden genoemd van de kracht van Amerikaanse inventiviteit en ondernemerschap.

Een regelrecht verbod door de Europese Commissie in Brussel is soms niet eens nodig om een fusie te frustreren. Aanvullende beperkingen zijn dan voldoende om de broosheid te etaleren, zoals die van de bundeling van de tankopslag- en distributiebedrijven Pakhoed en Van Ommeren die afgelopen week werd afgeblazen. Eerder was Brussel een sta in de weg voor fusies onder (Nederlandse) accountants en uitgevers. Beleggers in Pakhoed en Van Ommeren mogen Brussel wel dankbaar zijn: bij de eerste de beste tegenslag werd het breukvlak zichtbaar. Bij andere fusies (KNP BT, BolsWessanen) duurde het jaren voordat de managers hun fouten inzagen. Intussen gaat het gewone werk in Brussel door: vorige week bijvoorbeeld werden invallen gedaan bij vier Oostenrijkse banken wegens vermeende ongeoorloofde tariefafspraken.

DE CONFRONTATIE tussen de Europese instellingen en het bedrijfsleven wordt veroorzaakt door een paradoxale samenloop van omstandigheden. De fusiekoorts in het bedrijfsleven valt samen met de voorkeur van de politiek voor gezonde concurrentie en voor afbraak van (politiek geïnspireerde) monopolies, zoals telefoonbedrijven. Nederland 'kartelland' moet er bijvoorbeeld aan geloven. De afbraak van nationale monopolies stimuleert juist weer de internationale fusiedrang, net als de introductie van de euro in 1999 dat doet. Het onderstebovenkeren van Europa gaat gepaard met talloze saneringen en reorganisaties die in een land als Frankrijk deels worden verzacht met - concurrentievervalsende - staatssteun: Crédit Lyonnais, Air France. Tegelijkertijd zoekt Europa 'zijn' (gefuseerde) kampioenen die de strijd om de gunst van consument en kapitaalverschaffer op wereldschaal aangaan met concurrenten uit de Verenigde Staten en het Verre Oosten.

Wat is de uitkomst van deze smeltkroes van veelsoortige nationale, publieke en particuliere belangen? Wanneer is sprake van een dominante marktpositie? Is die positie bovendien blijvend, of zal bijvoorbeeld nieuwe technologie deze economische machtsbasis in de loop der tijd doen wankelen? Europa staat nog maar aan het begin van zijn ervaringen. Gezien de overgave waarmee in Amerika op dit moment in specifieke bedrijfstakken (defensie, software, chips) wordt gezocht naar beteugeling van concentratie en bevordering van concurrentie, hoeft bevordering van economische dynamiek in Europa niet ten koste te gaan van economisch succes.