Credit Lyonnais, maar dan met 10.000 kernkoppen

AMSTERDAM, 30 JUNI. Westerse bankiers zijn er na een jaar Azië-crisis niet populairder op geworden. Dat is niet alleen het geval bij de getroffen landen en hun overheden, maar ook in groeiende westerse kring. De financiële noodpakketten van in totaal meer dan 100 miljard dollar, die onder leiding van het Internationale Monetaire Fonds inmiddels zijn verstrekt hebben in het Westen zelf geleid tot kritische vragen, van het Amerikaanse Congres tot de Tweede Kamer: is de financiële hulp eigenlijk niet bedoeld om de westerse banken schadeloos te stellen? En is dat geen beloning voor hun riskante leengedrag dat de crisislanden in staat stelde om zo in de problemen te komen?

Het vraagstuk van de moral hazard speelt bij elke financiële crisis. De autoriteiten, met het IMF als kopstuk, staan voor het dilemma: samen met het getroffen land worden ook de crediteuren van dat land geholpen. En dat kan die crediteuren in de verleiding brengen om zich een volgende maal precies eender te gedragen. Het IMF helpt ze uiteindelijk toch wel uit de brand.

Ook op nationaal niveau speelt het probleem: een grote individuele bank die in de problemen komt, zal altijd worden uitgekocht. Lange rijen paniekerige spaarders voor de bankloketten zijn de nachtmerrie van elke regering. Hoe groot de troep bij Credit Lyonnais ook was, Frankrijk kon het zich niet permitteren de bank daadwerkelijk failliet te laten gaan.

Individuele banken, en groepen van banken en beleggers zijn daarmee de meest gangbare actoren waar het moral hazard speelt. Ze mogen eenvoudigweg niet omvallen. Aan de autoriteiten de taak om ze tegelijkertijd uit de wind te houden en toch zoveel mogelijk pijn te laten voelen. De banken die betrokken waren bij de Latijns-Amerikaanse schuldencrisis hebben er uiteindelijk flinke sommen op moeten afboeken. En ook in Azië leiden de overeenkomsten die tot nu toe tussen banken en Zuid-Korea en Indonesië zijn gesloten in de praktijk tot verliezen.

Maar het morele gevaar speelt ook op een hoger niveau. Gisteren trilde de jongste schokgolf door de financiële markt in Moskou en verergde de ravage die de afgelopen maanden al in Rusland was aangericht: de beurs dook opnieuw omlaag met 6,1 procent, de rente op eenjarige Russische staatsobligaties schoot van 75 procent naar 90 procent en de roebel staat onder zeer zware druk.

Rusland is verzeild geraakt in een vicieuze circel: buitenlandse beleggers zijn als gevolg van de Azië-crisis gevlucht in risicomijdend gedrag en bezien Russische aandelen, obligaties en de roebel met argwaan. De slechte staat van de overheidsfinanciën, met name het gevolg van een gebrek aan controle over de economie en een even gebrekkige belastinginning, geeft hen (en rijke inwoners en bedrijven) een extra reden om hun kapitaal weg te trekken. De resulterende druk op de roebel en de verdediging van de munt holt de reserves uit, die inmiddels zijn geslonken van 15,5 miljard dollar vorige maand naar 14 miljard dollar en de hoge rente kost de staat zoveel geld dat de overheidsfinanciën er verder van in de put raken. Die verslechterende staat van de begroting verhoogt het vluchtgedrag weer. Geen devaluatie van de roebel kost miljarden aan extra reserves om de munt te verdedigen, die er niet zijn. Wel een devaluatie van de roebel verhoogt de dollarverplichtingen op de buitenlandse schuld en vaagt de resultaten van drie jaar gevecht tegen inflatie in één keer weg.

De vraag is: mag Rusland vallen? Het antwoord ligt werd onlangs door een Amerikaanse regeringsfunctionaris treffend uitgedrukt: Rusland is net als Indonesië, maar dan met 10.000 kernkoppen.

De meest recente episode van de financiële crisis in Rusland werd ingeleid door de weigering van het Internationale Monetaire Fonds om een tranche van 670 miljoen dollar uit te keren van een lopende kredietovereenkomst van 9,2 miljard dollar tussen het IMF en Rusland. De Russiche regering had volgens het IMF onvoldoende gedaan om de belastinginning efficiënter te maken. Dat was een van de eisen die aan de lening verbonden waren. Na een hernieuwde belofte van de regering-Kirijenko om de staatsuitgaven te verminderen en de belastinginning op te voeren, kwam de tranche alsnog los, zo werd vanmorgen bevestigd.

Maar waar kwam die IMF-lening van 9,2 miljard eigenlijk vandaan? Die werd 2 jaar geleden onder grote Westerse druk door het IMF overeengekomen, vlak voordat de presidentsverkiezingen werden gehouden. Voor de zittende president Jeltsin was dat een waardevol geschenk tijdens zijn herverkiezingscampagne, die hij tot grote westerse opluchting uiteindelijk won van de communistenleider Zjoeganov. Een sterk verbeterde belastinginning was destijds de hoofdvoorwaarde voor de lening, en de inspanningen van Jeltsin tot dusverre op dit gebied werden geprezen. Toen al geloofde geen enkele analist erin.

Vorige week vroeg de Russische regering, bij monde van onderhandelaar Anatoli Tsjoebais, om een nieuwe aanvullende lening van tussen de 10 miljard en 15 miljard dollar aan het IMF om de financiële crisis het hoofd te bieden.

Dat plaatst het IMF onder zware druk. Wordt met zo'n nieuwe lening falend gedrag niet evenzeer beloond als dat bij de Westerse banken gebeurt? Mocht de nieuwe lening noodzakelijk zijn om Rusland te behoeden voor de financiële afgrond, dan wordt de moral hazard evenzeer toepasbaar op regeringen. Credit Lyonnais dus, maar dan met 10.000 kernkoppen.

    • Maarten Schinkel