China kan nu zijn positie in Azië versterken

Het bezoek van Clinton aan Peking is voor de leiders van de Volksrepubliek een groot succes. Jonathan Eyal ziet in Azië een gezamenlijk Amerikaans-Chinees leiderschap in het verschiet, maar er zijn ook risico's.

Wat de Chinese leiders betreft is het bezoek van president Clinton aan Peking geslaagd. Afgezien van het gebruikelijke geredetwist over mensenrechten en kinderarbeid zijn de betrekkingen tussen China en de VS hartelijker dan ooit tevoren. Niet alleen is Clintons regering erin geslaagd China zonder een kik van het Congres weer als meest begunstigde handelsnatie aangemerkt te krijgen, maar daarnaast spreken de twee landen nu over een versterkt 'strategisch partnerschap' voor het volgende millennium.

Intussen weten de Chinese leiders wel dat de toekomst van hun land niet zozeer van hun goede verhouding met de VS afhangt als wel van wat er in Zuidoost-Azië gebeurt. De economische crisis waardoor China's buurlanden zijn overspoeld, heeft niets heel gelaten van Pekings aanvankelijke strategische uitgangspunten. China heeft allerlei mogelijkheden om zijn invloed in de hele regio uit te breiden, maar in elk ervan schuilt een groot gevaar.

Tientallen jaren heeft Peking nauwere samenwerking bepleit tussen Aziatische landen. Hoewel de Chinezen graag hadden gezien dat die regionale samenwerking de Amerikaanse militaire aanwezigheid in de regio had geëlimineerd, beseften ze ook dat het tegendeel gebeurde: de Associatie van Zuidoost-Aziatische landen (ASEAN) ontstond en de individuele ASEAN-leden klampten zich nog sterker aan de VS vast dan voorheen. Na het einde van de Koude Oorlog werd het nog erger voor Peking. Japan kwam nieuwe 'defensierichtlijnen' overeen met de VS, waardoor het spookbeeld van een gezamenlijk Amerikaans-Japans optreden in de gehele regio ontstond. Zuid-Korea heeft het over een gelijksoortige regeling en de VS dirigeerden op het hoogtepunt van de confrontatie tussen Taiwan en China in 1996 hun marine naar de zee-engte bij Taiwan.

De vorig jaar uitgebroken economische crisis heeft China echter de kans geboden de bestaande allianties open te wrikken. Het eerste gevolg van de crisis was versterking van de antiwesterse sentimenten in de gehele regio. Aziatische landen dachten het Westen economisch te hebben ingehaald. De ineenstorting van de nationale munteenheden was zo plotseling en zo onbegrijpelijk dat menigeen in de regio die beschouwde als het gevolg van een westers 'complot'. De ontreddering binnen de ASEAN kwam de Chinezen zeker gelegen. Maar de roep om democratische hervormingen - in Thailand, Zuid-Korea, Taiwan en Indonesië - kwam Peking minder goed van pas. Het resultaat was een met zorg dubbelzinnig gehouden Chinees beleid. Anders dan men zou verwachten probeerden de Chinezen geen munt te slaan uit het groeiende antiwesterse sentiment; ze trachtten niet de beweringen over westerse complotten te ontzenuwen, maar wakkerden die ook niet aan.

Naar buiten toe snoefde China dat het als enige land in de regio niet getroffen was door koersdaling van zijn munt, wat zou bewijzen dat het 'socialisme met Chinese trekken' echt werkte. Binnenslands gebruikten de Chinese leiders de Aziatische crisis als rechtvaardiging om de economische hervormingen te intensiveren. Zhu Rongji, sinds vorig jaar premier van China, nam voortvarend de sluiting van verlieslijdende ondernemingen ter hand en wat belangrijker is, ook de hervorming van de staatsbanken, een gevoelige branche die in de buurlanden de crisis ontketend heeft.

Ook India's kernproeven hielpen het Chinese imago op te vijzelen. Op de lange termijn is de opkomst van India als nucleaire mogendheid voor Peking een strategische ramp: voor het eerst deze eeuw bestaat de mogelijkheid dat China effectief omsingeld wordt door een bondgenootschap tussen VS, Rusland, Korea, Japan, Indonesië en India. De Chinezen worden geobsedeerd door dit soort langetermijnscenario's. Maar ze weten ook dat ze af te wenden zijn door nauwere samenwerking tussen Peking en Washington. De Chinezen boden de Amerikanen dadelijk hulp aan met maatregelen om de proliferatie van kernwapens te voorkomen, en zullen waarschijnlijk nog meer doen om de Amerikanen voor zich te winnen: hun voornaamste doel is het wegnemen van elke verleiding bij toekomstige Amerikaanse regeringen om een bondgenootschap met India aan te gaan ter beteugeling van China. Het is een ingewikkeld spel, dat de Chinezen nog jarenlang zullen moeten blijven spelen.

De grootste angst in heel Azië is dat de Chinezen op termijn gedwongen zullen zijn hun munt, de yuan, te devalueren. De reden hiervoor is vrij simpel. China moet de geplande economische groei van 8 procent per jaar halen wil het grote politieke onrust in eigen land voorkomen. Deze groei is grotendeels afhankelijk van de export. Maar de Chinese export slinkt, ten dele door een geringere vraag vanuit Azië, en ten dele doordat buurlanden Chinese producten wegconcurreren met hun gedevalueerde munten. De vrees voor devaluatie heeft grond, maar is waarschijnlijk overdreven. Ten eerste zijn China's kuststeden weliswaar van handel afhankelijk, maar het achterland ondervindt veel meer invloed van de binnenlandse vraag en minder van de exportcijfers. Ten tweede kan de yuan dank zij de sterke daling van de Chinese inflatie toch al sterker concurreren: de prijzen in China zijn aan het dalen. En ten slotte zijn de politieke consequenties van een eventuele Chinese devaluatie te schrikwekkend om die serieus te overwegen. Devaluatie van de yuan zal premier Zhu Rongji's aanspraken op economische superioriteit in diskrediet brengen en de macht van de antihervormers binnen de communistische partij vergroten. Bovendien zal ze leiden tot een nieuwe devaluatieronde in de hele regio, waarmee elk koersvoordeel dat China hoopt te bereiken wordt tenietgedaan. En ten slotte zal devaluatie de economie van Hongkong kapotmaken en het spookbeeld oproepen van massale politieke onlusten in een provincie die toch al te lijden heeft van recessie en waar, uniek voor China, de politieke oppositie een officiële vertegenwoordiging heeft. Al met al zal de Chinese regering zich dus enorme moeite en heel veel pijn getroosten om niet te hoeven devalueren.

Maar dit belette de Chinezen niet de politieke vruchten te plukken van een houding die ze toch moesten aannemen. Toen de Japanse yen twee weken terug snel daalde, benaderden de Chinese leiders in stilte hun Amerikaanse tegenvoeters met een rechtstreeks dreigement: als Washington niet bereid was zijn invloed aan te wenden om de val van de Japanse munt te stuiten, zou China zich gedwongen zien te devalueren. De Amerikanen reageerden onmiddellijk, en de situatie stabiliseerde zich. Voor het eerst in de jongste geschiedenis van Azië hebben de Chinezen bereikt wat ze willen: een gezamenlijk leiderschap, samen met de VS, waarin ze op hun eigen condities voor regionale stabiliteit kunnen zorgen.

Het addertje onder het gras is dat de Chinezen de toestand niet onder controle hebben. Hun binnenlandse economische groei gaat minder snel, en door de ingrijpende hervormingen komen er maandelijks miljoenen werklozen bij. Ook is men niet blij met het klimaat van democratisering. Wat begon als een belangrijk voordeel voor China zou wel eens kunnen uitgroeien tot een groot probleem voor de Chinezen zelf. Voorlopig heeft Peking echter maximaal politiek profijt getrokken uit de situatie. En de betrekkingen met de VS kunnen er alleen maar verder op vooruitgaan.