Bigboard

In de rubriek Media-Reclame (NRC Handelsblad, 16 juni) stond een stukje over de listigheden waarmee reclameborden langs de rijkswegen worden geplaatst ('Hoe het bigboard tóch mocht'). Het ging in dit geval over een verrijdbaar bord waarmee als het ware getest wordt wat wèl, wat nièt en waàr-wèl-waar nièt een reclamebord mag worden geplaatst.

Het beleid wordt naast de weg door provincie en gemeente bepaald. Deze borden zijn ontsierend en leiden de chauffeur af. Hij moet doordrongen worden van het belang van de rommelmarkt, de antiekbeurs, het tractorpullen, de motorcross, van het onbehagen over het ministerie van Landbouw, van de religieuze overtuiging van anderen etcetera. Deze borden of bordjes (de grootte is sterk wisselend) al of niet verplaatsbaar, nemen snel in aantal toe. De plaatselijke horeca in het volgende dorp noodt tot een bezoek, een autosloper tracht zijn klantenbestand te vergroten, fabriekjes waarvan wellicht geen der passanten ooit gehoord heeft en waarvoor hij nog minder belangstelling zal krijgen, dringen zich aan ons op.

Was het tot voor kort het initiatief van de betrokken ondernemer, uit het artikel blijkt dat de professionele reclamemaker zich ermee bezig gaat houden. Het hek is dus vrijwel van de dam als de overheid niet ingrijpt. Hoe langer daarmee gewacht wordt, des te eerder zal een soort gewoonterecht ontstaan met de daaraan verbonden jammerklachten van de reclamemaker. Dat kan de beëindiging van dit soort visueel geweld alleen maar moeilijker maken.