Architect Alvar Aalto (1898-1976) herdacht in Nederlands Architectuurinstituut; Finse meester van het milde modernisme

Tentoonstelling: Alvar Aalto in zeven werken. Nederlands Architectuurinstituut, Museumpark Rotterdam. T/m 16/8. Open: di-za 10-17u, zo 11-17u.

Wie de grote tentoonstellingszaal van het Nederlands Architectuurinstituut binnenkomt, herkent ze onmiddellijk, de blonde houten meubelen. De uit blank triplex gebogen stoelen en krukjes, de theetrolly met de twee grote, houten wielen, de chaise longue van gevlochten hout, de fauteuils van buighout in de vorm van een S, zij staan in alle soorten en maten op een langgerekt, donker podium. Daarboven, hoog in de lucht, hangen aan een groene, golvende lattenwand nog meer stoelen, tafeltjes, bedbanken als alpinisten die hun klimtocht halverwege hebben opgegeven. Vooral door zijn meubelen - en natuurlijk door die kleurloze, glazen vaas uit de jaren dertig met de doorsnede van een bloem - is de Finse architect Alvar Aalto (1898-1976) over de hele wereld bekend geworden. Geen museum met hart voor moderne vormgeving dat niet een stoel, kruk of kast van zijn hand in de collectie heeft.

In 1998 wordt het honderdste geboortejaar van Alvar Aalto gevierd met onder andere een rondreizende expositie die op zijn geboortedag, 3 februari, in Helsinki begon en deze voorzomer in Rotterdam is aangekomen. Zo bekend als zijn meubelen zijn, zo onbekend is buiten Scandinavië de bouwmeester Aalto. Toch wordt hij in de geschiedenis van de twintigste-eeuwse architectuur in één adem genoemd met Le Corbusier en Mies van der Rohe en ook, iets minder vaak, met Frank Lloyd Wright. Finland gaat prat op zijn grote, nationale avantgarde kunstenaar, zoals Nederland zich laat voorstaan op Mondriaan, Spanje op Picasso en Ierland op James Joyce.

Aalto begon zijn architectonische loopbaan als een radicale Corbusiaanse functionalist. Zijn prijsvraaginzending in 1933 voor de herontwikkeling van noord-Stockholm voorzag in rigoureuze afbraak van de bestaande stad op deze plaats ten behoeve van strenge hoogbouwblokken. Gaandeweg de jaren dertig keerde hij zich tegen Le Corbusier's onaandoenlijke rechte lijn en dito hoek. Hij koos voor een meer humane versie van de nieuwe zakelijkheid en ontwikkelde met organische vormen en natuurlijke materialen een sierlijke stijl die je het 'milde modernisme' zou kunnen noemen. Hem van decoratieve neigingen betichten zoals door verstokte modernisten wel gebeurde, vond hij een belediging. Golvende wanden, rondvouwende stoelen hebben niets met decoratie te maken, stelde hij. Aalto's wanden en stoelen buigen en krommen uit wetenschappelijke - bijvoorbeeld akoestische - en biologische overwegingen. De lijnen van een stoel worden voorgeschreven door de soepele lijnen van een zittend mens, en niet omgekeerd.

Aalto's bouwkunstige ontwikkeling van rationalist tot poëtisch après-modernist met een fijnzinnig gevoel voor natuur en kleur, is uitstekend te volgen aan de hand van de zeven gebouwen die de kern van deze expositie vormen. Zeven identieke, langgerekte tafels staan in het midden van de ruimte opgesteld en dragen foto's, schetsen, ontwerptekeningen, materiaal- en kleurmonsters, zowel als orginele handgrepen, deurkrukken, kleine stukjes trapleuning en een enkele originele lichtknop. Geen onderdeel van zijn bouwwerken, exterieur noch interieur, ontsnapte aan zijn ontwerpersgeest. Metselverbanden, omringende tuinen, binnengroen, plinten en dakspanten, alles werd zorgvuldig door de meester bepaald. Planten vormden daarbij een even dankbaar ontwerpersmateriaal als baksteen, hout, tegels, glas en brons.

Het eerste van de zeven gebouwen dat wij te zien krijgen is het sanatorium in Paimio (1929-1933) waarmee Aalto zich een plaats tussen de functionalistische grootmeesters veroverde. Op een conferentie over gewapend beton in Parijs in 1928 had hij kennis gemaakt met het werk van de Nederlandse voorganger van het Nieuwe Bouwen, Johannes Duiker en met diens sanatoriumgebouw Zonnestraal (1928) in Hilversum. Vooral de heldere schoonheid van de hygiënische licht-, lucht- en ruimtearchitectuur - vóór de uitvinding van de antibiotica een belangrijk instrument ter bestrijding van tuberculose - heeft het herstellingsoord in Paimio sterk met Zonnestraal gemeen. Het zes verdiepingen hoge gebouw, met balkons en dakterrassen als scheepsdekken en speciaal ontworpen meubilair en sanitair, is het belangrijkste monument van moderne ziekenhuisarchitectuur ter wereld.

Van de in totaal twintig bibliotheken die Aalto ontwierp, werd het bibliotheekcomplex in Viipuri (1933-1935) als eerste uitgevoerd. Het houten plafond dat in een onregelmatige golfslag boven de gehoorzaal hangt, is zo'n typisch, bijna romantisch accent waarmee Aalto zich afkeerde van de strakke esthetiek die samenhangt met de moderne architectuur in gewapend beton. Voor deze bibliotheek tekende hij ook het driepotige krukje dat, uitgevoerd in blank gelakt hout, nog steeds geldt als schoolvoorbeeld van modern design. Overigens blijkt uit een serie monumentale foto's van Wijnandaa Deroo op deze tentoonstelling dat het bibliotheekgebouw - nu op Russisch grondgebied - tegenwoordig in een deplorabele conditie verkeert. De interesse die door het Aalto-jaar voor de Finse meester wordt gewekt, zal worden aangewend om fondsen voor restauratie te werven.

Het vooroorlogse hoogtepunt van Aalto's organische ontwerpmethodiek is Villa Mairea in Noormarkku (1937-1939). In dit zomerhuis voor Mairea Gullichsen - erfgename van het grote houtconcern Ahlström en oprichtster van de firma Artek die Aalto's meubelen in serie produceerde, moest vooral de harmonie tussen mens, natuur en kunst gestalte krijgen. Het interieur draagt dit voornemen vrijwel letterlijk uit met talrijke houten kolommen die net zo onregelmatig geordend staan opgesteld als buiten de dennen in het woud. De barokke vorm van de inspringende haardpartij is de geschiedenis ingegaan als 'Aalto's oor', zoals 'Aalto's long' valt terug te vinden in de welvende vorm van de entreeluifel van het sanatorium in Paimio. De houten kap boven de villa-ingang en het zwembad kregen de niervormige omtrek die karakteristiek is voor het Finse meer.

De vier naoorlogse gebouwen die bij het NAi worden getoond zijn het raadhuis van Säynätsalo (1949-1952), het Rautatalo kantoorgebouw (1951-1955) en het Nationaal Pensioeninstituut(1948-1957) in Helsinki en een kerk in Vuoksenniska (1956-1958). Stuk voor stuk zijn deze creaties muzikale composities van ruimte en licht en tevens zorgvuldige demonstraties van Aalto's afkeer van opsmuk en oppervlakkige effecten. Van de vier gebouwen is de kerk van Vuaksenniska - Aalto ontwierp zo'n twintig kerken - in zijn verschijningsvorm het meest expressief. De diffuse lichtinval doet denken aan de wijze waarop later Aldo van Eyck in het Noordwijkse conferentiecentrum Estec en in de Molukse kerk in Deventer het licht indirect naar binnen loodste. Behalve de gevoeligheid voor het licht delen Aalto en Van Eyck ook het idealisme, de behoefte een omgeving te scheppen die bijdraagt aan het welzijn van de mensen.

Waarschijnlijk is het idee van behaaglijkheid, warmte, en sensibiliteit tot in plint en bovenlicht, er de oorzaak van dat de architectuur van Aalto ook een gedateerde indruk maakt. Vooral de interieurs met klimplanten rond raam en open haard en met matrode, metalen kokerlampen aan lange draden afhangend van het plafond, doen niet alleen aan de jaren vijftig dénken, zij zíjn de jaren vijftig, toen lage tafeltjes met schuin uitstaande poten de niervormige omtrek hadden van een Fins meer.

    • Max van Rooy