Vriendinnetje op de foto

Ze had mij gevraagd om mijn fototoestel mee te nemen, om haar te helpen bij de eerste stap van haar carrière als fotomodel. Veel kans had ze niet, dacht ik, met haar een meter zestig, maar ze zag eruit als een plaatje. Dat kon een uitkomst zijn. En zo'n meisje kon je gewoon niets weigeren.

“Ik zie eruit als een toerist”, dacht ik nog, toen ik over straat liep met mijn camera om mijn nek, gekleed in korte broek en poloshirt. Bij de Infanta-straat aangekomen bleek dat ik daar niet kon oversteken omdat deze het toneel was van een studentenoptocht. Voor de gelegenheid waren duizenden jongeren opgetuigd met vlaggen en banieren met de beeltenis van Che Guevara en teksten die de Amerikaanse blokkade veroordeelden. Omdat ik nauwelijks foto's had van Havana, waar ik al bijna een jaar woonde, dacht ik hier het een en ander goed te maken. Ik ging vooraan staan en draaide aan het diafragma van mijn camera.

Even verderop zag ik twee jineteras (scharrelaars) met een opgeblazen condoom in de weer. Ik hield de camera voor mijn hoofd en stelde de lens scherp, wachtend totdat ik ze samen in het kader kreeg met een spandoek met de kop van Che. Prostitutie en el Che op één foto, dat leek me wel een symbolisch plaatje.

Toen ik op het punt stond om af te drukken voelde ik een hand op mijn schouder. Dat geschiedde op een vrij onaangename wijze, alsof mijn belager een bloedvat wilde afknijpen, zoals dat wel eens in Kung-Fu-films wordt gedemonstreerd. Ik draaide mij om en zag een neger van een jaar of vijftig. Hij zag er slecht uit, met een broek vol gaten en guayabera-overhemd dat nodig in de was moest. Een oude jinetero, dacht ik, die mij nep-sigaren wil verkopen of zijn nichtje, of anders gewoon geld van mij wil.

“Zo, ben je lekker foto's aan het maken?”

“Wat een openingszin”, dacht ik. “Daar trapt zelfs de stomste toerist niet in.”

Bijna had ik de stakker een dollar gegeven, uit piëteit. De lust om in een betoog uiteen te zetten waarom ik niet van zijn aanbiedingen gebruik zou maken, was niet aanwezig. Dus ik deed wat ik alijd deed in zulke gevallen: een paar Cubaanse opmerkingen maken met een straataccent. Meestal ging dat goed. Mijn enige fout was dat ik er uitzag als een toerist, met camera en al. Ik maakte aanstalten om weg te lopen.

“Hé”, zei hij, “moet je niet nog meer foto's maken?”

Ik negeerde hem en liep door. Hij liep achter me aan, greep me vast. “Ik vroeg je wat, blijf staan verdomme.”

Ik bleef staan en zinde op een verwensing, een vervloeking wellicht. Terwijl ik me omdraaide, trok hij subtiel zijn guayabera een stukje omhoog en toonde een pistool dat achter zijn broekband geklemd zat. “Binnenlandse Zaken.”

De geheime politie van Binnenlandse Zaken is over het algemeen beter te mijden als je ongestoord van het leven wilt genieten, maar deze vent zag eruit alsof hij sinds de revolutie geen salaris meer had ontvangen. “Waarom geef je geen antwoord als ik iets vraag?”

“Compañero, vergeef mij, maar ik zag je aan voor een schooier die mij sigaren wilde verkopen.”

Hij zag er de lol niet van in. “Onze dienst loopt in burger. Punt uit. Vertel me waarom je foto's maakt.”

“Gewoon als herinnering voor thuis.”

“Heb je daar wel toestemming voor... Wat doe je eigenlijk in Havana?”

“Ik ben toerist, en ik heb nog nooit gehoord dat er toestemming nodig is op straat foto's te maken.”

“Als je geen schriftelijke toestemming hebt van het Internationale Perscentrum ben je in overtreding. En als je toerist bent, waarom spreek je dan geen toeristen-Spaans? In welk hotel zit je eigenlijk?”

“Hotel Presidente”, loog ik. Mijn werkelijke huisvesting was min of meer legaal, maar ik kon mij geen onderzoek veroorloven door de immigratiedienst. Na een korte overpeinzing besloot hij dat ik mee moest naar het bureau. Gemoedelijk liepen wij over straat en keuvelden wat.

“Wij zijn ervoor om te voorkomen dat er iets gebeurt”, zei hij.

“Dat is altijd beter”, neuzelde ik.

Het bureau was een straat verderop. Hij stelde zich voor als Raúl en wees het huis aan van zijn grootmoeder, die over twee weken negentig zou worden. Hij groette hier en daar passanten, die zich als krabben over de smalle schaduwzijde van de straat voortbewogen om vooral niet nog bruiner te worden. “Allemaal vrienden van mij”, verklaarde hij de minzame knikjes waarmee zijn begroetingen werden beantwoord. Ondertussen hoorde hij mij uit, in de hoop om een spion in mij te ontdekken. Na verloop van tijd verscheen er een teleurgestelde blik in zijn ogen en hij leek zich te ontspannen. Bij het kantoor aangekomen kreeg ik van zijn baas, een sportief ogende modelsocialist van een jaar of dertig, een lesje revolutionaire democratie.

“Reuze interessant”, zei ik, “maar nu moet ik weer verder. Ik heb een afspraak.” Maar daar kon geen sprake van zijn. Het incident moest worden uitgezocht bij het hoofdkantoor in Centro-Havana. Aangezien de dienstauto kapot was, moesten we lopen. Op straat kreeg ik een idee. “Aangezien we zulke goede vrienden zijn geworden”, zei ik, “moest ik je maar eens tracteren op rum. Raúl, wij hebben dorst.”

Dat leek hem een uitstekend plan. We liepen bij de eerste rumtent naar binnen. Ik bestelde twee dubbele rum. En nog een paar. Ik liet de fles op tafel zetten. Toen deze halfleeg was werd Raúl onverstaanbaar, een paar glazen verder zei de uitbater van het etablissement dat hij maar beter kon vertrekken. Tijdens de discussie die hierop volgde glipte ik er stilletjes tussenuit en hield op straat een taxi aan. Ik keek nog even achterom. Raúl hing als een geschoten hangbuikzwijn tegen de bar en de barkeeper deed pogingen om het glas uit zijn hand los te wrikken.

De foto's die ik van mijn vriendinnetje maakte waren wat onscherp, maar het werd al met al een reuze gezellige dag.

    • Ivo Teulings