Oriëntalisme

Eerste klas? De conducteur keek vluchtig naar mijn reisbiljet en verwees mij met lichte, maar duidelijk merkbare spot naar een groepje Europeanen dat in hetzelfde parket zat als ik. De nachttrein van Jaipur naar Delhi had helemaal geen eerste klasse-coupés en dat men ons toch zo'n kaartje had verkocht was dan jammer.

Jaipur is de hoofdstad van Rajasthan, waar de kernproeven zijn genomen, en ik dacht dat de mensen er een scherpere mening over zouden hebben. Maar iedereen had dezelfde troebele visie als de leiders van het land: dat wereldmachten en buurlanden samenspanden tegen India. De mensen hier zijn kennelijk beter ingesteld op zelfbeklag en zieligheid dan op hoogmoed en trots. Als de hele wereld tegen India is, verschaft dat een zalig gevoel van onderlinge verbondenheid.

Maar goed, geen eerste klasse-coupé dus. Dat is in India ernstiger dan men denkt. Niet alleen wegens de indringende stank van verstopte wc's, de hitte van 42 graden die door de stoffige ventilatoren alleen wordt verergerd, de smalle britsen in stapels van drie en de algehele atmosfeer van een roestige doodkist richting hiernamaals, maar vooral wegens de vijandige blikken van de medepassagiers, die weten dat we ons iets beters kunnen veroorloven en toch hun territorium binnendringen.

In het begin probeerden de Europeanen en ik onze toestand weg te grinniken en er het beste van te maken. We gingen zitten in het gangpad en vertelden elkaar sterke verhalen over nog veel ergere omstandigheden. Maar ineens stonden twee gewapende politiemannen tegenover ons, die ons sommeerden onze plaatsen in te nemen. En toen we ook op de britsen nagiechelden verschenen ze weer, met het bevel dat we onmiddellijk moesten gaan slapen. De overige passagiers hadden last van onze stemmen, wat een fysische onmogelijkheid was, omdat het geraas van de dieselmotor en het gestamp van de wielen op de rails zelfs een kanonschot zouden overstemmen. Maar de boodschap was duidelijk: wie dachten wij westerlingen wel dat we waren? Inderdaad voelde ik mij een westerling, die begreep dat het ons verboden was om ons hier op ons gemak te voelen.

Het verbaasde me wel. Want tot voor kort konden gewone Indiërs buitenlanders nauwelijks definiëren. Altijd werd mij gevraagd naar mijn geboorteplaats en daarna welke trein er in de buurt kwam. Geen trein? Dat moest dan een heel klein plaatsje zijn. India was niet zomaar een land, of een subcontinent, maar gans de wereld, waar je met de trein eindeloos door kon rijden zonder ergens eraf te vallen. In wezen waren de arme, onwetende Indiërs vroeger kosmopolitischer dan nu. Hun wereld is langzamerhand gekrompen tot de werkelijke staatsgrenzen, waarmee ze ook de buitenlanders hebben ontdekt. Ze kennen nu het verschil tussen de Indiër en de 'Ander' en ze staren naar de 'Ander' met ogen die vervuld zijn van woede.

Voor deze blik, voor deze onwelwillende houding van oosterlingen ten opzichte van westerlingen is er geen naam, terwijl voor het omgekeerde wel een woord is bedacht: oriëntalisme.

De Palestijnse denker Edward Said omschreef oriëntalisme als de westerse manier van observeren en beschrijven, die van oosterlingen een object maakte, eerste van 'wetenschappelijke studie' en vervolgens van koloniale politiek. Oriëntalisme gaat vooraf aan bezetting en onderwerping. Je moet het aanstaande slachtoffer kennen, je moet zijn gebreken opmerken en zijn onvolmaaktheid benadrukken. Pas dan heb je het motief om zijn woonplaats binnen te dringen, teneinde hem te 'redden'. Kolonialisme, zo zegt Said, is niet begonnen uit winstbejag - dat was maar een prettige bijkomstigheid - maar uit een beschavingsmissie.

Saids 'oriëntalisme' is gaandeweg verbreed tot elke manier van kijken die de bekekene manoeuvreert in een positie van weerloosheid. Als je je aan oriëntalisme bezondigt, zie je bij anderen tekortkomingen, dankzij het feit dat je jezelf als onwrikbare maatstaf gebruikt. Alles wat afwijkt van jezelf, en alleen datgene wat afwijkt van jezelf, wordt gezien. Het is dus geen minachting of haat die aan oriëntalisme ten grondslag ligt, maar een soort 'begrip', een vorm van medelijden, vertedering, en de stille hoop dat de ander met een beetje liefde en opvoeding kan worden als jijzelf. Formeler gezegd: van oriëntalisme is sprake als de waarnemer zodanig samenvalt met zichzelf, dat hij geen kans ziet zich te identificeren met degenen die worden waargenomen.

Als dit al onhelder klinkt, kan het nog erger. Een week geleden was ik in de heilige stad Benares, aan de oever van de Ganges. Rugzaktoeristen staarden over het water, de meer welgestelde Europeanen liepen rond met de camera in de aanslag, Indiase toeristen voeren in bontgekleurde bootjes langs de stenen trappen, de plaatselijke bewoners stonden tot de knieën in het water kleren schoon te slaan op plateaus, mannen en kinderen poedelden in de rivier, zeepten zich overvloedig in en namen een frisse duik. En links van mij brandde een lijk. De familie van de overledene zat gehurkt toe te kijken hoe enkele jeugdige knapen het vuurtje opstookten met een nonchalance als was het een barbecue. Het lijk op de brandstapel lag al gauw bloot en er waren zacht ploffende geluiden.

Rechts van mij zat een magere man gebogen over een langwerpige witte bundel. Hij bond die aan een platte steen, laadde het geheel op een bootje dat werd bestuurd door een jongen van tien en voer naar het midden van de rivier, waar het kinderlijkje zonder plichtplegingen in het water werd gekieperd.

Het tafereel is niet onbekend, maar toch bizar. En ik betrapte mezelf erop dat ik mij schaamde om het feit dat westerlingen dit zomaar konden zien. Plotseling was ik een oosterling. Van de westerse toeristen verwachtte ik dat ze dit vertederend zouden vinden. Wellicht beschouwden ze het als een oeroud sereen gebruik, of als een betere manier om met de dood om te gaan dan de westerse krampachtigheid waarmee dit laatste deel van het leven verborgen wordt gehouden. Waarschijnlijk respecteerden ze wat ze zagen, terwijl ik dat respect niet kon opbrengen. Ik verafschuwde het gebrek aan hygiëne, ik walgde van de onreinheid die hier werd vergoelijkt met de zogenaamde heiligheid van de Ganges.

Maar wie was er nu oriëntalistisch? Ik die mij identificeerde met de Indiërs, maar hun mijn eigen maatstaven van zindelijkheid oplegde, of zij die naar de exotische gebeurtenissen staarden en ze zo wel mooi vonden? Misschien gaat het woord oriëntalisme al te makkelijk uit van een duidelijk onderscheid tussen westerlingen en oosterlingen. Wie beide kan zijn is kennelijk altijd fout.