Onuitstaanbare braafheid nekt PvdA

Er is heel wat ruimte tussen het rumoer dat in de jaren zeventig in de Partij van de Arbeid heerste en de huidige rust van het kerkhof. Frans Becker en Roos Vermeij bepleiten een andere politieke mentaliteit. Ongegeneerde debatten als tegenwicht tegen de beleidsconsensus en machtspolitiek zijn nodig. PvdA moet af van haar onuitstaanbare braafheid.

De verkiezingsuitslag van 6 mei heeft de sociaal-democraten voorlopig van een solide machtsbasis voorzien. Een deel van het verkiezingsverlies van 1994 is ongedaan gemaakt; de Partij van de Arbeid is in stemmental de grootste partij gebleven; en de winst is ook weer niet zo riant dat daarvan een dreigende werking uitgaat. Grote verkiezingsoverwinningen hebben de PvdA immers zelden aan de macht gebracht.

Nu de electorale spanning voorbij is, ontstaat ruimte voor wat al te lang is uitgesteld: een serieuze verkenning van de programmatische uitgangspunten en koers van de Nederlandse sociaal-democratie. Het is geen wonder dat de positie en het functioneren van de PvdA weer op de agenda staat. Nadat het voorzittersduo Rottenberg/Vreeman als een wervelwind door de partijgelederen is geraasd, heerst op dit front dodelijke stilte. Een nota van het partijbestuur doorbreekt deze stilte, maar is louter intern gericht en besteedt nauwelijks aandacht aan het politieke en maatschappelijke krachtenveld waarin de PvdA opereert.

Dat is echter een taxatiefout. De ontwikkeling die de grote politieke partijen in Nederland doormaken, inclusief de PvdA, is verre van geruststellend.

Het debat over de rol en positie van een partij als de PvdA is nodig; maatschappelijke en politieke omstandigheden dringen de PvdA een kant op die haar voortbestaan als zelfstandige politieke kracht op den duur ondermijnt. Tegenover de verbeterde electorale positie, staat immers een verdere erosie van haar maatschappelijke en programmatische functie. Deze ontwikkeling is onwenselijk, maar niet onvermijdelijk.

Er is vanzelfsprekend kritiek mogelijk op de wijze waarop Rottenberg en Vreeman de vernieuwing van de PvdA hebben vormgegeven. Veel van wat met het nodige aplomb werd aangekondigd, werd onmiddellijk ingehaald door nieuwe plannen en is nooit ten uitvoer gebracht. De afbrokkeling van de partijorganisatie is niet tot staan gebracht, maar daarvoor kan men het voorzittersduo bepaald niet exclusief verantwoordelijk stellen. Er staan succesvolle initiatieven tegenover. Politici van de PvdA werden uitgenodigd in openbare debatten tekst en uitleg te geven over hun beleid, zoals na black Monday bijvoorbeeld staatssecretaris Piet Dankert overkwam. Relatieve buitenstaanders werd gevraagd een bijdrage te leveren aan de programmatische ontwikkeling van de PvdA, soms tegen de stroom in.

Eén van de belangrijkste schaduwzijden van de aanpak van Rottenberg en Vreeman was echter de informalisering van de macht: het vervangen van formele kanalen voor menings- en besluitvorming door informele relaties en netwerken. Uiteindelijk leidde deze ontwikkeling tot een verdere verzwakking van de PvdA als countervailing power tegenover de bestuurlijk ingestelde 'Haagse machten'. Met de afbrokkeling van de formele structuur werd ook de machtspositie van het voorzittersduo zelf ondergraven. Op den duur hadden zij niet veel meer in te brengen dan hun persoonlijk gewicht en krediet.

Met het voortijdig terugtreden van Rottenberg als gevolg van ziekte, is het in gang gezette 'vernieuwingsproces' krakend tot stilstand gekomen. Hoe is de PvdA sindsdien met de erfenis omgesprongen? De erosie van de partij, die door de tomeloze energie van het voorzittersduo tijdelijk aan het zicht is onttrokken, heeft zich in de afgelopen jaren voortgezet. De combinatie van Kamerlidmaatschap en voorzitterschap door Karin Adelmund heeft de speelruimte voor een zelfstandige opstelling van de partij bepaald niet vergroot. Congres noch partijbestuur hebben zich ontwikkeld tot gezaghebbende organen. Het partijbestuur is verder weggegleden in irrelevantie, opererend in een sfeer van a-politieke vrijblijvendheid.

Men kan niet beweren dat het verkiezingsprogramma Een wereld te winnen niet ambitieus is. Integendeel. Maar waar alles prioriteit heeft, is niets belangrijk. Een debat over een dergelijke programma is onvermijdelijk gericht op de wensenlijstjes, niet op de onderliggende ideeën voor progressieve politiek. De totstandkoming van en besluitvorming over het verkiezingsprogramma laat zien hoe gebrekkig de PvdA als politieke organisatie haar koers uitzet. De opstelling van het program illustreert hoe besloten en geïnformaliseerd de besluitvorming is geworden. Er is nauwelijks een poging gedaan om in het program een consistente politieke richting uit te zetten - terwijl daaraan in een tijd van buitengewoon snelle maatschappelijke veranderingen wellicht meer behoefte is dan aan al snel achterhaalde wensenlijstjes.

Van een serieus debat op hoofdlijnen is, tenslotte, ook nauwelijks sprake geweest. Wat resulteert is een tekort aan gemeenschappelijk gedeelde oriëntatie.

De wijze waarop het verkiezingsprogramma tot stand is gekomen, is geen incident. Wanneer men de verkiezingscampagne en de formatiebesprekingen tot nu toe aan een nadere beschouwing onderwerpt, valt het gebrek aan richtinggevende en consistente politieke opvatting op, evenals de toegenomen geslotenheid van het politieke circuit.

Dat de verkiezingscampagne van de PvdA rondom Kok is gedrapeerd is begrijpelijk. Dat het verkiezingsprogramma daarin nauwelijks een rol speelde, is daarvan geen noodzakelijk gevolg.

De (in)formatieperiode die op de verkiezingen is gevolgd, wordt natuurlijk gekenmerkt door beslotenheid. Die beslotenheid is niet alleen voorwaarde voor succesvolle onderhandelingen, maar ook een neveneffect van voortzetting van een bestaande regeringscoalitie. De spelers (informateurs en onderhandelaars) kennen elkaar èn het speelveld door en door. Alleen al daarom zou trouwens een 'extern' informateurschap te verkiezen zijn geweest, nu blijkt dat de formatie wordt gebruikt om ingrijpender beslissingen voor te bereiden. De beslotenheid is echter doorgeschoten. Niet ten onrechte ontstaat het beeld van een gesloten circuit van besluitvormers ('regenten') die zich aan ingrijpende beslissingen over de toekomst verbinden. De ambtelijke ondersteuning en invloed nemen, door de continuïteit in de coalitievorming, toe; het gewicht van de oude overlegorganen zoals de SER en de Stichting van de Arbeid wint opnieuw aan belang, zoals blijkt uit de advisering over de hervorming van het belastingstelsel en over marktwerking in de uitvoering van de sociale zekerheid. Hoezo, primaat van de politiek?

De politieke leiders opereren daarbij betrekkelijk los van hun politieke achterban. Van een programmatische binding is, mede door de aard van het program zelf, nauwelijks sprake. Juist het hier gesignaleerde gebrek aan gemeenschappelijke oriëntatie wreekt zich in deze situatie. Daardoor krijgt de formatie het karakter van een tombola, waarvan de uitkomsten onvoorspelbaar zijn. Degenen die deel uitmaken van het gesloten beleidscircuit lijken zich van dit probleem nauwelijks bewust te zijn. Integendeel, zij stralen vooral tevredenheid over de Nederlandse overlegtraditie uit. De formatie, als minst gecontroleerde schakel in ons politiek proces, dient zich dan al gauw aan als de plaats waar de knopen worden doorgehakt.

Als de formatie maatgevend is voor wat een nieuw kabinet in petto heeft, dan kunnen we ons voorbereiden op een periode van besloten besluitvorming aan de top die vergelijkbaar is met die uit de jaren '50; alleen zijn nu de politieke en sociale leiders niet meer vanzelfsprekend verbonden met een goed georganiseerde achterban.

Juist een partij die langere tijd regeringsmacht draagt, zal van tijd tot tijd haar positie moeten markeren ten opzichte van de beleidsmachinerie en van de vanzelfsprekendheden van de politieke mode. Een zelfstandige politieke positie is nodig om afstand te scheppen tot de vierde en vijfde macht en tot de alledaagse beleidsproductie. Elke politieke formatie - maar zeker degene die voor langere tijd aan de macht is - loopt het risico dat het politiek program vervluchtigt tot accenten bij ambtelijk tot stand gekomen consensus. Tegelijkertijd dient een eigen programmatische positie om afstand te houden tot de opinies van alledag. Een partij als de PvdA kan niet koersen op enquêtes alleen, maar zal voor haar opvattingen zelf steun moeten verwerven. Voor de sociaal-democraten geldt de opdracht te laveren tussen de Scylla van de fixatie op het beleid en de Charibdis van het najagen van de mode van de dag. Alleen dan heeft een partij als de PvdA een toegevoegde waarde in het proces van politieke menings- en besluitvorming. Zonder een dergelijke zelfstandige, oriënterende functie voor partijen, wordt de grondslag van het partijenstelsel op den duur aangetast. Herstel van de positie van politieke partijen is geen verloren race. De afgelopen periode wordt gekenmerkt door marginalisering van de zelfstandige rol van politieke partijen, inclusief de PvdA. De urgentie van het vraagstuk zal toenemen. Het zal onvermijdelijk een centraal thema moeten zijn in het debat over de toekomstige organisatie en werkwijze van de PvdA. Het besef daarvan lijkt echter nog nauwelijks doorgedrongen tot hen, die het debat over de organisatie en werkwjze van de PvdA in gang moeten zetten.

Ook als regeringspartij heeft de PvdA voldoende mogelijkheden voor een andere opstelling, en hoeft zij niet te berusten in een positie in de marge van het politieke bestel. De partij zal moeten investeren in het formuleren van een gemeenschappelijk oriëntatiekader. Het gaat daarbij om vragen van internationale aard: het doordenken van de consequenties van de verbreding en verdieping van Europese integratie; de rol van de nationale samenleving en overheid daarbij; het vraagstuk van vredeshandhaving onder nieuwe voorwaarden, etc. Het gaat ook om de vormgeving van publieke voorwaarden voor individuele ontwikkeling: in het onderwijs, de sociale zekerheid, de volkshuisvesting, de cultuur. Het gaat om het vaststellen van de grenzen aan individuele welvaart en vrijheid, waar zij op onaanvaardbare wijze vrijheid en welvaart van anderen aantasten. En het gaat om de wijze waarop ons land de nieuwe internationale economie tegemoet moet treden: op het gebied van de infrastructuur; met betrekking tot de aanpassing van ons fiscale stelsel; en met behulp van welke mechanismen (deregulering, marktwerking of publieke sturing?).

Niets staat het organiseren van ongegeneerde debatten in de weg; over de leidende principes bij de uitvoering van de sociale zekerheid bijvoorbeeld. Zij kunnen dienen als tegenwicht tegen de beleidsconsensus die zozeer de huidige politieke arena beheerst, maar ook tegen de machtspolitiek en beslotenheid die zich van de PvdA meester heeft gemaakt. De durf die daarvoor nodig is, is trouwens niet gebaat bij de huidige politieke mores in de PvdA. Belangrijke vraag daarbij is: wie neemt het initiatief? Noch het partijbestuur, noch het lokale (bestuurs)kader, noch de landelijke politici worden daartoe op dit moment uitgedaagd, geprikkeld of gedwongen.

Er is tegelijkertijd een andere politieke mentaliteit nodig: ontvankelijkheid en openheid voor het debat, voor afwijkende en tegendraadse opvattingen. Verantwoording is gebaat bij goed werkende informele procedures; maar vooral ook bij een bestuurlijke stijl die daarvoor ruimte biedt.

Er is geen reden terug te verlangen naar de loopgravenoorlog tussen 'Amsterdam' en 'Den Haag', tussen degenen die verantwoordelijkheid dragen voor de dagelijkse politiek en degenen die als geïnteresseerde partijleden de politiek volgen. Maar er is heel wat ruimte tussen het rumoer van weleer en de rust van het kerkhof van heden. De PvdA zou een begin kunnen maken door haar onuitstaanbare braafheid van zich af te schudden en degenen aan de tand te voelen die verantwoordelijkheid dragen.

    • Roos Vermeij
    • Frans Becker