Moderne monnik, sociologisch omnivoor

Deze week treedt de socioloog Paul Schnabel aan als directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau. Een functie die hem op het lijf is geschreven. Niet alleen is hij zeer belezen en thuis in vele onderzoeksvelden, maar hij is ook een innemend causeur. Daardoor is hij in staat om zowel kwaliteit en relevantie van onderzoek te beoordelen, als advies uit te brengen aan bewindslieden en parlementariërs.

Gegevens over de plagiaatkwestie-Van Praag zijn ontleend aan het boek Valse vooruitgang van Frank van Kolfschooten.

Toen indertijd in Nederland een lichte paniek uitbrak over een mogelijke aids-epidemie, meende Paul Schnabel dat “doomsday-scenario's als zou de hele bevolking besmet kunnen worden weinig realiteitswaarde” hadden. Zijn aanvankelijk omstreden voorspelling dat aids een beperkt probleem zou blijven, kwam uit. Schnabel, die geldt als een van de grondleggers van de geestelijke gezondheidszorg in Nederland, had eerder een overschot aan psychiaters voorspeld - en kreeg daarin ongelijk.

De socioloog Schnabel schrikt nooit terug voor gewaagde stellingen over de meest uiteenlopende zaken, van depressiviteit onder jongeren tot de pokkenepidemie, van dating-shows op televisie tot de abortuspraktijk. In de talloze gesprekken die de welbespraakte Schnabel voert met vrienden, kennissen en collega's - categorieën die bij hem door elkaar lopen - verwoordt hij zijn meningen vlijmscherp en lichtvoetig. In de zo mogelijk nog talrijkere wetenschappelijke publicaties en onderzoeken, doet hij dat glashelder, goed onderbouwd en heel systematisch, vinden dezelfde vrienden en vakgenoten.

“Paul heeft het vermogen om als een echte socioloog - en dat klinkt voor de hand liggender dan het is - om heel veel verschillende onderwerpen systematisch te onderzoeken”, zegt de Rotterdamse hoogleraar Tom van der Grinten, in het verleden Schnabels baas bij het Nederlands Centrum voor Geestelijke Volksgezondheid (NCGV). “Als socioloog zeker van het niveau van iemand als Bram de Swaan, maar hij is beter geïnformeerd, in de zin dat hij veel beter weet wat er in de praktijk gebeurt”, meent hoogleraar Peter van Lieshout, oud-collega bij het NCGV.

Voor het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP), waar Schnabel deze week aantreedt als directeur, is hij dan ook de ideale man, vindt zijn omgeving. Het SCP is een onderzoeksinstituut waarvan de invloed afhankelijk is van de kwaliteit van de onderzoeken en van de manier waarop de directeur adviezen overbrengt aan de regering. “Paul kan het instituut profileren, doordat hij zijn nek durft uit te steken”, is een veelgehoorde bewering.

Zo'n twintig jaar geleden deed Schnabel voor het eerst veel stof opwaaien met een artikel waarin hij aantoonde dat de hoogleraar psychiatrie Van Praag voor zijn oratie driekwart had overgeschreven van een Amerikaanse onderzoeker. “Ik weet niet wat van Praag van plan is, maar ik kan mij toch moeilijk voorstellen dat hij de bedoeling heeft in Utrecht een soort psychiatrische windhandel te beginnen”, schreef Schnabel in de hem typerende scherpe stijl. Van Praag opende de tegenaanval maar moest in Vrij Nederland uiteindelijk toegeven: “Er zit - behalve in de discussie - geen gedachte van mij in.”

Schnabel, die volgende maand vijftig wordt, is een opvallende persoonlijkheid - zeker in de academische wereld waarmee hij ook als hoogleraar geestelijke gezondheidszorg aan de universiteit van Utrecht een wat ambivalente verhouding heeft. Een man die het pak nog wel eens afwisselde met een leren broek en sinds jaar en dag rondrijdt in een BMW, omdat dit een solide auto is. “Zijn BMW, in mijn tijd een rode, kan in het (links-)intellectuele milieu van de universiteit niet worden geplaatst. Hij trok zich nooit wat aan van gezeur erover, maar werd wel eens moe het uit te leggen”, zegt Henry Henselmans, die bij Schnabel is gepromoveerd.

Nog opvallender dan zijn verschijning is zijn adembenemende productiviteit. Alleen al het jaar 1997 heeft een lange lijst opgeleverd van publicaties en lezingen over onder meer geestelijke gezondheidszorg, psychotherapie, cultuursociologie, drugsbeleid, ethnische minderheden en verzorgingsstaat. Hij staat twintigste op de ranglijst van meest publicerende Nederlandse sociologen, maar voor die ranglijst zijn alleen wetenschappelijke publicaties meegeteld. Naast commentaren en rubrieken in het Maandblad Geestelijke Volksgezondheid en boekbesprekingen in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde en NRC Handelsblad. Schnabel bekleedt ook functies in tientallen commissies, adviesraden, tijdschriftredacties en instituten, de meeste op het terrein van de gezondheidszorg. Daarnaast werkt hij mee aan tv-programma's en leidt hij regelmatig op zondagmiddag in Utrecht een forum, De Salon, waarbij wordt gedebatteerd over kwesties als feminisme of religie.

“Hij wordt gedreven door een enorme nieuwsgierigheid en door een verlangen om met zijn grote geestelijke vermogens dingen werkelijk verder te brengen”, zegt Van der Grinten. Van Lieshout constateert bij Schnabel “een passie voor het intellectuele debat”. Zijn voormalige secretaresse bij het NCGV, Anke Rensma, herinnert zich haar baas als iemand “met een grenzeloze belangstelling voor alles: hij wil alles weten en er iets aan toevoegen”. Frans van den Boom, oud-NCGV-collega en thans werkzaam bij het Rode Kruis, vindt Schnabel óók “een trotse man, die wil laten zien dat hij er is”.

Dat de gedreven Schnabel er nagenoeg altijd in slaagt om zijn werk op tijd af te hebben verbaast zelfs zijn vrienden. “Het zou me niet verbazen als op een dag werd onthuld dat Paul Schnabel niet één persoon is, maar een drieling”, zegt de bevriende psychiater Dries van Dantzig. In werkelijkheid is het geheim van Schnabel zijn uitzonderlijke intelligentie, die het hem mogelijk maakt zeer snel te werken, gecombineerd met een ongeëvenaarde werklust. Schnabel heeft zijn leven afgestemd op zijn werk dat in zekere zin zijn leven is.

Het huis van Schnabel in Utrecht is daarvan een afspiegeling; het is volgens bezoekers heel netjes en alles ligt er op zijn plaats. Alleen naast zijn stoel ligt een ietwat rommelig stapeltje boeken en tijdschriften, klaar om in een hoog tempo te worden gelezen. “Hij leest drie zo snel als ik en onthoudt vervolgens twee maal zoveel. De snelheid waarmee hij informatie opneemt, analyseert en verwerkt in een systeem is fenomenaal”, zegt Evert Ketting, een van Schnabels oudste vrienden. Een proefschrift leest hij in een avond en de volgende avond schrijft hij de bespreking ervan voor deze krant.

Schnabel werkt namelijk ook 's avonds, soms tot diep in de nacht. Als het uitje met vrienden laat is geworden, schrijft hij daarna nog even de lezing voor de volgende dag. “Hij zei altijd: 'Je kunt me tot twee uur 's nachts bellen'. Ik heb hem een keer om half een 's nachts op en hij nam de telefoon op nadat die een keer was overgegaan”, vertelt Henselmans. “Hij kan doorgaans met weinig slaap toe; als Paul zegt dat-ie moe is, dan is dat pas nadat hij een week lang maar vier uur per nacht heeft geslapen.” Volgens Van Lieshout is werken voor Schnabel “een kick, een beetje topsport: inspannend maar heel bevredigend”.

Schnabel is daarbij ook een enorme Pietje Precies. Zijn precisie wordt door sommigen aangeduid als een lichte vorm van smetvrees. “Paul houdt niet van viezigheid en wordt heel kriebelig van slordigheid. Slecht verzorgde manuscripten vol typefouten irriteren hem. Zijn eigen kleding is niet conventioneel maar wel met zorg gekozen”, zegt Henselmans. Volgens Rensma “wil Paul dat alles tot in de puntjes verzorgd is”.

Deze levenshouding maakt dat Schnabel solitair moet leven. “In zijn onmiddellijke omgeving verdraagt hij niemand om zich heen. Hij woont alleen. Zelfs al er iemand bij hem logeert, wordt hij na twee dagen onrustig; hij heeft zó'n eigen dagritme”, zegt Ketting. Ook voor de seksualiteit is zijn persoonlijk leven geen plaats meer, zegt Ketting, hoewel Schnabel over de maatschappelijke betekenis van seksualiteit zeer veel heeft geschreven.

Drie jaar geleden zei Schnabel, die zijn homoseksualiteit altijd als heel vanzelfsprekend heeft beleefd, bij een lezing: “Natuurlijk kan men afscheid nemen van de seksualiteit (...) het kan gewoon een gebrek aan lust, tijd of energie zijn.” Volgens Ketting moeten deze woorden ook op hemzelf worden betrokken: “Hij heeft bij die gelegenheid gezegd dat hij afscheid heeft genomen van de seksualiteit. Dat heeft hij gewoon uit zijn agenda geschrapt. Ik vond dat erg gedurfd.”

Voor vrienden heeft Schnabel wel veel tijd ingeruimd. Hij voert met hen vele telefoongesprekken en kookt naar het schijnt heel lekker voor hen. “Paul heeft bewust een beslissing genomen dat contacten met goede vrienden belangrijk voor hem zijn”, weet Ketting. Van Dantzig wijst erop, dat Schnabel “geen denkmachine is, maar een zeer gevoelsbegaafde man, die in staat is met anderen mee te voelen”. Volgens Van Lieshout “praat Paul graag, is hij een goed causeur en zeer puntig in gesprekken, maar kan hij ook beslist goed luisteren en heeft een groot vermogen tot het voeren van een sociale conversatie”.

Schnabel werd in 1948 geboren in Bergen op Zoom en woonde in zijn jeugd in Breda, waar hij het gymnasium voltooide aan het Onze Lieve Vrouwe Lyceum. Hij studeerde eind jaren zestig in Utrecht sociologie bij P. Thoenes, een 'verzorgingsstaatsocioloog', bij wie hij ook assistent was. In zijn studententijd liep hij stage bij de NVSH en begon zich al te roeren in het toen zeer levendige debat over abortus. Bij de abortus-stichting Stimezo, waar hij in 1973 ging werken, wist hij dat debat beslissend te verhelderen: “Tot die tijd was er én discussie over de feiten én over de vraag: wat vinden wij ervan. Zijn onderzoek heeft ertoe geleid dat er over de feiten in elk geval geen verschil van menig meer was”, zegt Van der Grinten.

Op abortus had Schnabel zullen promoveren, samen met Ketting die ook bij Stimezo werkte. “De interesse van Paul was een echter beetje verflauwd. Ik heb dat alleen afgemaakt”, vertelt Ketting. Schnabel promoveerde in 1982 bij de inmiddels overleden Kees Trimbos, door hemzelf betiteld als “de seksueel hervormer van katholiek Nederland”, op sekten in Nederland. “Typisch Paul”, vindt Ketting. “Hij had daar nooit wat aan gedaan, stortte zich er een jaar lang op en las er alles over. Het was in de tijd van de zelfmoord van die Jones-sekte en het proefschrift verscheen midden in een mediahype. Later heeft de sekten weer losgelaten.”

Het tekent de veelzijdigheid van “omnivoor” (Van der Grinten) Schnabel, die zich met de meest uiteenlopende onderwerpen bezighoudt. In een recente bespreking door Schnabel van een proefschrift figureren naast historische landkaarten ook de schilderijen van Vermeer, Bill Gates als Scheepsjongen van Bontekoe, en inzichten over het moderne kapitalisme. “Ik had kunstgeschiedenis moeten studeren”, heeft de kunstliefhebber Schnabel wel eens verzucht, maar dat heeft hij ook wel eens verzucht over medicijnen en psychologie.

“Les defauts de sa qualité, een gebrek aan beperking, is juist zijn grote kracht”, vindt Van der Grinten. “Daardoor een heel interessant soort socioloog”, zegt van Lieshout, “een die vooral afgaat wat er om hem heen gebeurt en minder een die graaft in databanken. Hij doet constant observaties en heeft daarbij een ontzettend hoge frequentie. Een beetje zoals Youp van 't Hek elke zaterdag zijn stukje heeft, waarbij je al die stukjes bij elkaar als levenswerk kunt zien, zo zijn al die talloze bespiegelingen het oeuvre van Paul.”

Schnabel geldt daarbij als extreem belezen, op zeer veel terreinen. “Ik zwerf altijd langs bos, berm en beemd en signaleer dan iets, bijvoorbeeld depressies onder succesvolle dertigers”, vertelt Mary Michon, maakster van tv-programma's bij de IKON: “Hij zegt dan altijd iets van: 'Ja, klopt, daarover is net artikel over verschenen en je moet dat onderzoek uit Engeland eens bekijken'. Echt altijd!”

Zijn veelzijdigheid maakt hem volgens velen zeer geschikt voor het SCP, waar ongeveer tachtig onderzoekers in kaart proberen te brengen hoe mensen in Nederland wonen, liefhebben, geloven of hun vrije tijd doorbrengen. Het is dezelfde veelzijdigheid die hem bij het NCGV, waar hij als hoofd onderzoek tussen 1977 en 1991 werkte, in staat stelde om het werk van dertig onderzoekers te volgen. Zijn toenmalige baas Van der Grinten daarover: “De geestelijke volksgezondheid in Nederland was een lappendeken zonder een fundament. Door stelselmatig alles te onderzoeken, en heel systematisch te wegen heeft hij geholpen dat fundament aan te brengen.”

Een School van Schnabel bestaat formeel niet, maar een voormalige medewerker, Frans van den Boom, heeft toch getracht die te definiëren in het vriendenboekje PS. “Als je wil weten wat er gebeurt, ga zelf eens kijken”, is een leerstelling van Schnabel, die de in de veelal door databanken gedomineerde sociologie niet vanzelf spreekt. “Maak een probleem niet groter dan het is”, luidt een andere. “Als dat getal van 200.000 juist zou zijn, zou je in en land als Nederland over de thuislozen moeten heenvallen”, heeft hij wel eens gezegd. “Dat is niet zo, dus zal het probleem ook wel niet zo groot zijn.”

    • Karel Berkhout