Fusie maakt eind aan laatste confessionele sportbolwerk

ROTTERDAM, 29 JUNI. De aanstaande fusie in de Nederlandse gymnastiekwereld is een historische gebeurtenis. Door de samensmelting van het Koninklijk Christelijk Gymnastiek Verbond (KNCGV) met de Koninklijke Nederlandse Gymnastiek Bond (KNGB), per 1 januari 1999, komt er een einde aan een discussie die veertig jaar heeft geduurd. Daarmee gaat het laatste confessionele sportbolwerk in Nederland ter ziele. De nieuwe Koninklijke Nederlandse Gymnastiek Unie (KNGU) wordt met ruim 300.000 leden in grootte de derde sportkoepel van Nederland.

Na de Tweede Wereldoorlog waren in Nederland nog drie organisaties op het gebied van de gymnastiek actief: het Koninklijk Nederlands Gymnastiek Verbond (KNGV), de Nederlandse Katholieke Gymnastiek Bond (NKGB) en het KNCGV. Na moeizame onderhandelingen fuseerden KNGV en NKGB in 1987 tot de nieuwe organisatie KNGB.

In 1962 kwam er wel een samenwerkingsovereenkomst die echter niet veel verder ging dan de afspraak regelmatig te overleggen en onder bepaalde voorwaarden aan elkaars wedstrijden deel te nemen. Een fusie leek toen nog oneindig ver weg. De NKGB wilde de eigen katholieke identiteit behouden, het KNGV wilde alleen een volledig samengaan. Dat verschil van mening leidde er toe dat de NKGB steun ging zoeken bij het KNCGV in de hoop zo sterker te staan bij nieuwe besprekingen. De federatiegedachte die beide organisaties aanhingen vond in de ogen van de toenmalige KNGV-voorzitter Jan de Jong echter weinig begrip.

Verrast door de technische ontwikkelingen binnen de NKGB, waarbij gymnasten van deze bond in een directe confrontatie niet onderdeden voor de internationale KNGV-toppers, kwam De Jong in april 1969 met een nieuw voorstel dat in fasen kon worden ingevoerd. Volgens dit model konden de toppers van de katholieke bond direct lid worden van het KNGV en dan dus meedoen aan de grote internationale evenementen. De laatste fase van het voorstel zou onherroepelijk tot een fusie moeten leiden.

Dat echter wees de NKGB van de hand, hetgeen leidde tot een storm van verontwaardiging en onbegrip. De verhouding tussen de organisatie van De Jong en de NKGB bekoelde en leidde er zelfs toe dat de eerste overeenkomst uit 1962 werd opgezegd. Binnen de NKGB kreeg het bestuur steeds meer kritiek te verduren. Na veel interne discussies werd een nieuw voorstel in de richting van het KNGV gestuurd. Daarbij was de aanvankelijk verlangde koppeling met het KNCGV niet hard meer en werd “zelfs een fusie” met het KNGV niet uitgesloten. Nog geen dag later ontkende NKGB-bondsdirecteur Piet Straub dat positieve signaal echter weer. Daarmee was voor het KNGV de maat vol en werden alle contacten bevroren.

Zo kwam de de doorbraak pas in het midden van de jaren tachtig. De toenmalige KNGV-voorzitter Jack Bons, die geen “emotionele bondserfenis” met zich meedroeg, slaagde erin beide besturen weer aan tafel te krijgen. In 1987, enkele maanden voor de WK turnen in Rotterdam, gingen KNGV en NKGB samen op in de nieuwe KNGB. Het KNCGV bleef na die fusie op zichzelf staan. In 1993 werd de intentie uitgesproken te komen tot één nieuwe landelijke gymnastiekorganisatie.

KNGB-voorzitter Frans Koffrie sloeg daarna de definitieve brug. Hij vond een welwillend oor bij zijn KNCGV-collega Ger Vos. Die slaagde erin zijn achterban voor de plannen te winnen. Op het laatste moment kwam er twee jaar geleden nog vertraging toen de vereiste tweederde meerderheid van de vergadering net niet werd gehaald. Door de druk van het ministerie van VWS en NOC*NSF is de fusie nu dan toch een feit. (ANP)