Boekenbezit Oranje was eerste basis voor de KB

Tentoonstelling: Boeken van Oranje Nassau; De bibliotheek van de Graven van Nassau en Prinsen van Oranje in de 15de en 16de eeuw. Museum Meermanno-Westreenianum, Prinsessegracht 30 in Den Haag. T/m 9/8. Dinsdag-vrijdag 11-17u, zaterdag en zondag 12-17u. Catalogus ƒ 25,-.

In 1798, tweehonderd jaar geleden, besloot de Volksvertegenwoordiging van de Bataafse Republiek om wat er op dat moment nog restte van het boekenbezit van de Oranje-Nassaus, als basis te nemen voor een nieuw op te richten Nationale Bibliotheek. De laatste stadhouder, Prins Willem V, was drie jaar eerder voor de Franse legers uitgeweken naar Engeland en had zijn bibliotheek, veelal door overerving gekregen, in Nederland achtergelaten.

De stadhouderlijke bibliotheek had in de loop van de eeuwen te lijden gehad van rampspoed als brand en confiscatie door Spaanse en Franse overheersers.

Soms ook dwongen financiële overwegingen tot een onvrijwillige afstand. Zo moesten Prins Willem van Oranjes boeken na zijn dood op last van de Staten van Holland worden verkocht om Willems schuldenlast enigszins te verminderen. Bovendien sprongen niet alle doorluchtige eigenaren in de loop van de eeuwen even zorgvuldig met hun literaire schatten om. Toen Voltaire eens de bibliotheek bezocht, die destijds in het Oude Hof - nu het Paleis Noordeinde - was ondergebracht, schreef hij dat hij boeken had gezien die in de laatste eeuw uitsluitend door ratten waren verslonden en die met de grootste spinnenwebben van heel Europa waren bedekt.

Eigenlijk is het nog een wonder dat er zo veel prachtige handschriften en vroege gedrukte boeken uit de 15e en 16e eeuw zijn overgebleven.

Ter gelegenheid van het tweehonderdjarig bestaan van de Koninklijke Bibliotheek (de Nationale Bibliotheek veranderde in 1816 van naam) exposeert het Museum Meermanno-Westreenianum ruim zeventig Boeken van Oranje-Nassau.

Vijf verschillende vorsten zijn met hun bezit aanwezig. Vier van hen zijn in de geschiedschrijving nogal verwaarloosd: Jan IV (1410-1475), zijn zoon Engelbert II (1451-1504), diens neef Hendrik III (1483-1538) en Hendriks zoon René van Chalon (1519-1544). Met Prins Willem van Oranje (1533-1584), neef en erfgenaam van de kinderloos gebleven Chalon, komen we op vertrouwder historisch terrein.

Van Jan IV en zijn echtgenote Maria van Loon zijn naast ridderromans vooral eenvoudig uitgevoerde stichtelijke werken overgebleven zoals een biechtboek voor leken en een prekenbundel. Waarschijnlijk gaf Jan IV zijn aandacht meer aan bestuurlijke en militaire plichten en heeft Maria, een uitzonderlijk vrome vrouw, haar stempel gedrukt op deze vroegst bekende Nassaubibliotheek.

Hun zoon Engelbert II, die zich in de vorstelijke kringen van de Bourgondiërs bewoog, was veel wereldser. Zijn bibliotheek bevatte grote perkamenten codices, met schitterende miniaturen versierd. Zijn grootste faam als bibliofiel berust op een Getijdenboek van omstreeks 1470, voor deze expositie door de Bodleian Library in Oxford uitgeleend.

In Den Haag ligt van dit prachtige handschrift een pagina opengeslagen die de Verkondiging afbeeldt. De onbekende illustrator omlijstte de scène niet met het gebruikelijke kader van bladeren en bloemen, maar koos in plaats van een realistisch gepenseelde akelei of aarbeiplant een opvallende rand van pauwenveren, bijna te nadrukkelijk voor het intieme Maria-tafereel.

Niet bekend

Gelukkig zijn er ook allerlei kleine details die het (middeleeuwse) leven naderbij brengen. In een afschrift van Cicero's De Senectute discussiëren de Romeinen Scipio, Laelius en Cato (de Oudere) over de ouderdom. In de zaal waarin het gesprek plaatsvindt, staat een buffet dat bedekt is met een kleed waarop tinnen of zilveren vaatwerk staat uitgestald, een subtiele verwijzing naar de welstand van de bewoners.

Een verluchter met de noodnaam Meester van de Gentse Grisailles schilderde een gezelschap vorstelijke dames in grijze gewaden en met hennins, de hoge, puntig toelopende hoofddeksels waaraan een voile is vastgemaakt.

Een van hen, Margaretha van York, krijgt op de binnenplaats van een kasteel eerbiedig een boek aangeboden. De sfeer is ingetogen en deftig, maar in een vensternis op de achtergrond zorgen drie doodgewone bloempotten met bloeiende plantjes voor een alledaagser accent.

Een handschrift van Hendrik III, de Stad Gods van Augustinus, opent met een nog verhevener miniatuur. God de Vader zetelt in vol ornaat tussen de vier kerkvaders en cherubijnen.

De illustrator uit het begin van de 15de eeuw vond dit terecht wat veel van het goede. Als huiselijk tegenwicht spande hij naast de zetel van kerkvader Grego-rius een kort waslijntje waaraan de zojuist beschreven bladen te drogen hangen.

Een enkel handschrift, de Chronique de la Bible, valt op door zijn bijna moderne versiering en lay-out. De tekst beschrijft de visioenen van de profeet Daniël. De illustratie is uiterst summier; alles wat afleidt, is hier weggelaten. Slechts de twee beesten uit het achtste hoofdstuk van het bijbelboek Daniël zijn bijna nonchalant tussen de tekstkolommen weergegeven.

Niet meer dan drie kleuren waren nodig voor de strijd tussen de ram met twee ongelijke horens en de grimmige geitenbok die met één buitengewoon lange hoorn de ram ter aarde werpt.

De Koninklijke Bibliotheek is niet de enige jubilaris. Het Museum Meermanno Westreenianum viert dit jaar zijn honderdvijftigjarig bestaan. De nauwe samenwerking tussen de twee jarige musea heeft een feestelijke expositie opgeleverd.

    • Hetty Terwee