Alfred Kossmann (1922-1998); Talrijke alter ego's in het graf meegenomen

Als iemand er niet meer is, is het verleidelijk te doen alsof er een man-uit- een-stuk, een wel omschreven persoonlijkheid verdwenen is.

De schrijver Alfred Kossmann (geb. 1922) heeft zijn hele schrijversbestaan lang (hij debuteerde in 1946) duidelijk gemaakt dat hij niet geloofde in zoiets als 'een man uit een stuk', niet alleen in zijn eigen geval niet, maar in niemands geval. De vraag is nu dan ook wie er allemaal met Kossmann, die zaterdag in Amsterdam overleed aan de gevolgen van een longontsteking, zijn verdwenen, want hij was niet een man maar vele mannen.

De stukken die hij de laatste jaren op de Achterpagina van deze krant schreef begonnen dikwijls met: “De mannen waaruit ik besta dronken een borrel/ kwamen vriendschappelijk bijeen/ ergerden zich...” en dan kregen wij te horen wat die mannen zoal tegen elkaar zeiden en hoe ze zich gedroegen. Dat was vermakelijk. Het liet zien dat in ieder van ons allerlei personen schuil gaan: een berustende, een schreeuwlelijk, een grapjas, een onverschillige enz., en dat die elkaar naar hartelust afwisselen. Wie doet alsof het anders is, maakt zich - In Kossmanns woorden - schuldig aan 'identiteitszwendel'.

Alfred Kossmann is naar eigen zeggen in zijn boeken volledig aanwezig. Bij een zo enorm oeuvre levert dat een grote rijkdom aan verschijningsvormen op. Er was bijvoorbeeld de reislustige Kossmann, de veertiger die in de jaren zestig met zijn tweede vrouw Yda vele reizen maakte, vooral naar het zuiden van Europa. Hij schreef daarover vier bundels reisverhalen: Reislust(1963), De smaak van groene kaas (1965), Reisverhaal (1966) en Clownsreis(1967). Daarin wordt minstens zoveel overwogen als beschreven, vloeit in de drank rijkelijk en maakt een eigenaardige onthechtheid het mogelijk om van bijna alles de aardigheid en de belachelijkheid tegelijk in te zien.

“Toerisme eist van de mens dat hij nergens bij betrokken raakt, getuige blijft” schreef hij en op die manier was hij ook een toerist ten opzichte van zichzelf. Het is tijdenlang als een geschikt etiket voor zijn werk gebruikt, deze zogenaamde 'toeristische levensvisie', die hij steeds meer uitwerkte als de onmogelijkheid om datgene wat men meemaakt ook daadwerkelijk te ervaren, en om samen te vallen met welk zelfbeeld dan ook.

Tijdens zijn reizen schreef hij niet alleen reisboeken. Op een hotelkamer op een snikheet Grieks eiland zat hij aan de kaptafel met een handdoek over de spiegel en schreef zijn novelle Ga weg, ga weg, zei de vogel (1971). Terwijl buiten het licht wit was van hitte, groeide onder zijn pen een boek dat zich afspeelde in het hoofd van een dove man in een grauwe morsige huurkazerne, die zich verbeeldt dat hij alles hoort wat er in het gebouw gezegd wordt, ja zelfs wat er gedroomd wordt.

Dergelijke verschijnselen - waan, dronkenschap, dementie - vormen een vast bestanddeel van zijn boeken. Waar hij enerzijds de mens een weinig constante persoonlijkheid toedichtte, schreef hij anderzijds veelvuldig over de angst voor zelfverlies, voor desintegratie van de persoonlijkheid. In een column waarin hij als 'ik' de 'oude schrijver Alfred Kossmann' krachtig aan de tand voelt, beet hij de oude auteur toe: “In de wandelgangen van de literatuur wordt over uw thematiek honend gesproken. Iemand als u, die zo consistent relativeert, is nu juist een harde persoonlijkheid, een koekoek éénzang, een drammer.”

In 1972 maakte een auto-ongeluk hem invalide. Het onbekommerde reizen was afgelopen, het wonen in de Jordaan waar hij met genoegen bier dronk in volkskroegen en geen acht sloeg op de rat die zich in de wc dreigde te vestigen was niet langer mogelijk. Het nieuwe leven betekende een flat met een lift in Amsterdam-Zuid en soms een reis naar een vaste bestemming, zoals het eiland Aegina waar hij jarenlang een huisje huurde.

Wat het betekende om bijna dood geweest te zijn en om nu veranderd te zijn in een invalide beschreef hij in de boeken Laatst ging ik spelevaren (1973) en De seizoenen van een invalide lezer (1976). Hij noemt zichzelf daarin, met de voorhem kenmerkende weigering om te klagen, 'veroordeeld tot luxe': “Schrijven doe je zittend, een paar uur per dag, maar belangrijker is denken aan wat je zal schrijven, en dat doe je wandelend. Met een kruk onder je linkerarm en je rechterhand op de rechterschouder van je sterke vrouw je voortbewegen, dat bevleugelt het denken niet.”

Desondanks schreef hij in de jaren daarna zijn mooiste boeken, waaronder het veelgeprezen Geur der droefenis (1980). Hij ontving in 1980 de Constantijn Huygensprijs voor zijn hele oeuvre. Dat belette hem niet om in de jaren tachtig dat oeuvre nog royaal uit te breiden met novelles, romans en beschouwingen, waarin de hoofdpersonen onveranderlijk weinig tot geen greep op hun wonderlijk verlopende levens hebben.

“Ik geloof helemaal niet dat iemand zijn eigen leven in de hand heeft,” zei hij in een interview met deze krant. Ook verhalen en herinneringen geven een leugenachtig beeld van wat iemand deed, was, dacht. Alle aangebrachte samenhang is een verzinsel, dat vaak in het geheel geen recht doet aan de onoverzichtelijkheid en veelvoudigheid die ons omringt en waaruit we bestaan. “Een denkend mens mag geen verhaal maken van zijn ervaring. De wildernis mag geen voortuintje worden,” laat hij een van zijn hoofdpersonen denken in de novelle Een verjaardag.

Het was dan ook verwonderlijk dat hij, met zijn opvattingen over de menselijke onkenbaarheid, in 1992 een biografie-opdracht van het Amsterdamse Fonds voor de Kunst aanvaardde voor het schrijven van een biografie over de dichter Victor E. van Vriesland. Na een paar jaar gaf hij de opdracht terug. Zijn laatste roman Huldigingen (1995) laat zien waarom die biografie er nooit is gekomen. In een vijftal hoofdstukken wordt de hoofdpersoon Jacob Drent, die in de verte wel iets van Van Vriesland heeft, steeds door iemand anders gezien. Dat levert vijf geestige, uiterst elegant en voor de menselijke soort niet speciaal verheffende portretten op. Maar wie Drent was? We hebben een indruk, maar die laat zich op geen enkele wijze samenvatten.

Huldigingen werd in 1996 bekroond met de Libris-prijs. Kossmann, geen schrijver van de soort die zichzelf altijd met gemak de beste vindt, toonde zich geheel overvallen door de beslissing van de jury. “Het is de gekste verrassing die ik tot nu toe in mijn leven heb meegemaakt,” zei hij.

Afgezien van de prijs was de laatste tien jaar de aandacht voor zijn werk gering. Vorig jaar december hoorde hij bij de schrijvers die werden verwijderd uit de vaste tentoonstelling van het Letterkundig Museum, iets waar hij gelaten op reageerde.

In een Achterpagina-column lieten de mannen uit wie hij bestond van zich horen over dit onderwerp. “'We hebben in een telefonisch interview laten weten dat we niet in opwinding zijn geraakt. Dat meenden we toch!' De man aan de schrijftafel zei: “We wisten toen niet dat er rumoer zou komen. We maakten ons ervan af. We zeiden: wat geeft het eigenlijk?' (-) 'Ach', zei de ander, 'het is meer dan tien jaar leuk geweest en we waren ons het niet bewust. Ons werk lag in een vitrine op de semipermanente tentoonstelling. Dat wisten we. We zijn er nooit gaan kijken. We hebben überhaupt nooit een stap in dat museum gezet. Er was ook een grote luxueuze catalogus. Dat is zielig voor ons. Pas toen we van de tentoonstelling werden verwijderd hoorden we van een vriend over die catalogus. Er staat een mooi stuk over ons in, met mooie plaatjes. Allemaal opgeruimd.”

Nu is hij er zelf ook niet meer: geen van die beschouwende, hartelijke, berustende, geïnteresseerde mannen in hem is er nog. “En zo, langzamerhand, verdwijnt het leven van de schrijver in zijn werk,” schreef Kossmann eens. Nergens anders is het nu meer te vinden.

    • Marjoleine de Vos