Waanzinnig geleerd; GIACOMO LEOPARDI VERGOOIDE ZIJN JEUGD IN VADERS BIBLIOTHEEK

Het enorme oeuvre van de Italiaanse schrijver Giacomo Leopardi, 200 jaar geleden geboren, ontstond in de bibliotheek van zijn vader. Het wonderkind studeerde er als een wanhopige. Maar wat is kennis?

WIE MET EEN HOOFD vol Leopardi in Recanati arriveert, staat meteen op het verkeerde been. Was dit nu het verstikkende dorp, het 'graf van de levenden'? Het enige smetje biedt de aanblik van de toren van de Augustinuskerk die eens door een lijster werd bewoond. De toren staat in de steigers en de eenzame fluiter waarmee Leopardi zich zo verwant voelde, heeft zijn plaats afgestaan aan een groepje kraaien. Verder geen reden tot klagen. De zon zindert hoog aan een wolkenloze hemel. Het stadje in de regio de Marche, ligt op een 300 meter hoge heuvel, wat een magnifiek uitzicht garandeert op het omringende dal. In het oosten glanst de Adriatische Zee, in de westelijke verte tekent de rug van de Apennijnen zich wazig af.

Twee grote zonen heeft Recanati gebaard. De ene, de gevierde tenor Beniamino Gigli, overleed in 1957 en rust hier op het kerkhof in een opzichtige piramide. De andere, schrijver, denker en dichter Giacomo Leopardi, werd in 1837 in Napels roemloos begraven, maar is nu na Dante de meest becommentarieerde Italiaanse schrijver. Hij is hier overal tastbaar aanwezig. Sla een straat in en je stuit op een witmarmeren tegel met een strofe uit een van zijn gedichten, en op de Piazza G. Leopardi staat hij in gedachten verzonken op zijn sokkel, de armen over elkaar.

BEJAARDE GRAVIN

Ook de ambiance van het paleis, waar Giacomo op 29 juni 1798 werd geboren als oudste zoon van graaf Monaldo Leopardi en markiezin Adelaide Antici, is minder bars dan ik me had voorgesteld. Het ligt tegenover een klein plein met een oud kerkje. Daarachter het huis waar 'Silvia', waarschijnlijk de dochter van de koetsier van huize Leopardi, zingend het weefgetouw bediende en met haar heldere stem de zwoegende schrijver de oren deed spitsen. Het paleis wordt nog steeds door de familie bewoond, in een van de vleugels huist de bejaarde gravin Anna Leopardi, weduwe van de achterkleinzoon van Giacomo's jongste broer Pierfrancesco. Op de eerste verdieping bevindt zich de werkkamer van vader Monaldo Leopardi, schrijver van een omvangrijk oeuvre waar niemand meer een blik in zou werpen als het niet door de vader van de zoon was bijeengepend. Monaldo legde de lokale geschiedenis tot in detail vast en vulde eigenhandig het door hem opgerichte tijdschrift La voce della ragione (De stem van de rede). Keurig gebonden staan de tijdschriften samen met de Annali di Recanati in een kast tegenover zijn bureau.

Interessanter is de kamer ernaast waar zijn zoon aan bod komt. In een vitrine ligt jeugdwerk uitgestald, zoals Giacomo's vertaling van het tweede boek van Vergilius' Aeneïs. Gekalligrafeerde letters, het handschrift vertoont nog weinig persoonlijks. Daar ligt zijn Inno a Nettuno (Lofzang op Neptunus), waarmee de geleerde jongeling de classici schitterend misleidde. Het gedicht ontsproot aan het eigen hoofd, maar hij voorzag het van uitgebreid commentaar en schreef erboven dat het om de vertaling ging van een werk van een 'onbekende Griekse auteur'. Ze tuinden er allemaal in. En daar ligt het paspoort dat Giacomo in 1819 op de kop tikte om te ontkomen aan zijn 'allerellendigste leven' in Recanati. Vader ontdekte het plan en de vlucht mislukte.

Maar het gaat vooral om de belendende ruimtes, waarin de huisbibliotheek van vader Monaldo is gevestigd en waar het genie van zijn zoon tot wasdom kwam. De bibliotheek telde toen drie zalen met zo'n 12.000 werken. Nu kraken in vier zalen de wandkasten onder het gewicht van 20.000 titels. Giacomo zat meestal in de eerste zaal. Tien planken hoog, tot het plafond: boeken, boeken en nog eens boeken, dicht tegen elkaar aangeschoven. Gerubriceerd in Jurisprudentia, Historia litteraria, Historia sacra, Historia profana, Geografia, Filosofia, Litterae humaniores, Opera varia, Encyclopedia, Miscellanea en een aparte kast 'Verboden boeken'. Centraal in de zaal is een witmarmeren borstbeeld geposteerd. Op Giacomo's schrijftafel staat de witporseleinen inktkoker die hij altijd met zich meenam, op zijn stoel liggen twee bruinwollen dekentjes die hij in de winterkou over zijn knieën en om zijn schouders sloeg. Als je langs de doorzakkende planken loopt kost het weinig moeite je een leergierig ventje voor te stellen, toekijkend hoe de boeken hier werden binnengesleept en door vader Monaldo precies op hun plaats werden gezet.

Monaldo was een maniakale boekverzamelaar. Al voor zijn huwelijk had hij door erfenis en aankoop een aardige voorraad opgebouwd. De haat jegens Napoleon die Italië had bezet zat diep in zijn botten, maar tegen de Franse wetgeving die de confiscatie van kerkelijke goederen voorschreef, had hij minder bezwaar. Zo vielen hem verzamelingen uit kerken en kloosters voor een prik in handen. Een gevarieerde collectie was het gevolg. Grammatica's, woordenboeken, verhandelingen en, zo schrijft de Leopardi-exegeet De Sanctis, “Griekse, Hebreeuwse, Latijnse eruditie, heilig en profaan, beschavingen en barbarijen, gouden en ijzeren eeuwen, origineel werk en imitaties, topkwaliteit en middelmaat”. In die mengelmoes ontbrak wel eens wat, zodat Giacomo lang moest wachten voordat hij, via zijn literaire vriend Pietro Giordani, een exemplaar van Xenophon onder ogen kreeg.

Toen Giacomo veertien jaar was stelde zijn vader de bibliotheek open voor de inwoners van Recanati - het staat nog steeds in marmer te lezen boven de deur van de tweede studiezaal: 'Voor mijn kinderen, voor vrienden en voor de burgers'. “En hoeveel denkt u dat er hier komen?” schreef Giacomo aan Giordani. “Nooit iemand.” Des te beter, zo kon hij zijn al jaren eerder aangevangen studie ongestoord voortzetten. Hij had zich, terwijl zijn leeftijdgenoten in het dorp achter een bal aanrenden, in het gebruikelijke curriculum gestort: talen, theologie, geschiedenis, natuurwetenschappen. De bibliotheek werd, schrijft De Sanctis, “een Pompeï waarin hij zich vrijwillig opsloot om opgravingen te doen”. Hij ontwikkelde een razende leessnelheid. Het was alsof alles al in zijn hoofd zat en alleen nog met een vluchtige blik in de boeken moest worden geverifieerd. Zo verwierf hij zich, als een kluizenaar wonend in vaders bibliotheek, een fabelachtige kennis van het Latijn, leerde zichzelf in een half jaar Grieks, meteen daarop Hebreeuws, waarna in rap tempo Frans, Engels, Spaans en Duits volgden. Hij las de Romeinse en Griekse auteurs, ook die van het tweede garnituur, de kerkvaders, de Italiaanse renaissancisten, de filosofen van de Verlichting, de Franse encyclopedisten. Heerlijk was het vertrouwd te worden met de grote schrijvers, in dat proces vormen zich “het oor en de smaak”. Moeiteloos bleek hij welke tekst ook in verzen te kunnen omzetten. Hij schoof met woorden zoals anderen tinnen soldaatjes verplaatsen, schrijft Iris Origo in haar sprankelende Leopardi-biografie.

Op zijn tiende en elfde schreef Giacomo verhandelingen over en commentaren op klassieke en religieuze onderwerpen, schreef, nadat hij Homerus uit had, het sonnet De dood van Hector, vertaalde Oden van Horatius, componeerde een lang gedicht, Cato in Afrika. Daarna volgden vertalingen van delen van Homerus, Vergilius, Julius Africanus, Hesiodus, Diogenes van Halicarnassus. Op zijn veertiende verblijdde hij zijn vader op kerstdag met de tragedie Pompeius in Egypte. De door Monaldo aangetrokken huisleraren hadden het toen al opgegeven, ze konden zijn zoon niets meer leren. De enige die in dat moordende tempo nog wat kon bijsturen was Giuseppe Vogel. De geleerde kanunnik van de kathedraal van Recanati stimuleerde hem tot een gerichte wetenschappelijke aanpak.

Bij al dit streven naar kennis viel het nauwelijks op dat Giacomo wat overgevoelig was en soms door angstgevoelens werd bezocht. Hij was bang in het donker, kroop ineen bij onweer en vuurwerk, koesterde een tijdje een heilige angst voor een kruisvormige configuratie op de vloer. Hij kon ook heel lang somber zwijgen. Niets bijzonders voor een fantasievol kind, als je maar hard studeert gaat dat vanzelf over. En voort ging hij weer. Carlo, zijn é´ jaar jongere broer met wie hij in zijn vroege jeugd een kamer deelde, kon daarover meepraten. “Vaak zag ik hem, als ik zeer laat in de nacht wakker werd, op zijn knieën voor de tafel zitten om zo lang mogelijk te kunnen schrijven, tot de pit van de lamp doofde”. De volgende ochtend vroeg was hij weer in de bibliotheek. Had hij een blad volgeschreven, dan gebruikte hij de tijd dat de inkt droogde om er een paar woordjes Engels of Duits in te stampen. Alleen oom Carlo Antici maakte zich zorgen. Hij schreef vader Monaldo een brief waarin hij zich onthutst toonde over de overspannen werkdrift van zijn neef.

De waarschuwing vervloog in de wind. Vader Monaldo stelde zijn bibliotheek ruimhartig open voor zijn kinderen, maar hij was ook een starre pedagoog zonder enig inzicht in de kinderziel. Om zijn kinderen te behoeden voor de heidense buitenwereld trok hij de teugels tot het absurde aan. Giacomo zou geen cent krijgen, dat was zijn principe, zijn zoon mocht tot zijn twintigste jaar niet alleen de straat op, en als hij een brief kreeg, dan werd die eerst door vader gelezen. En moeder Adelaide? Van haar had Giacomo helemáál niets te verwachten. Sinds ze haar verkwistende man van een dreigend bankroet had gered - ze had er zelfs een deel van haar juwelen voor verkocht - en hem onder curatele had gesteld, was ze de baas in huis. Om het decorum van welstand op te houden onderwierp zij zichzelf, man en kinderen aan de tucht van de schraapzucht. Van de eieren die de boeren haar verschuldigd waren nam ze met een speciale houten ring de maat, en natúúrlijk kreeg haar zoon geen geld om zijn vleugels buiten Recanati uit te slaan. Verteerd door zondebesef wijdde ze zich in haar kamer aan haar religieuze plicht of aan haar huishoudboekje en haar kinderen liet ze affectief in de kou. Een bigotte haaiebaai wier liefdeloosheid heeft bijgedragen tot de geloofsafval van haar zoon.

GELDINGSDRANG

In die kille paleissfeer studeerde en schreef Giacomo verder. Was het eerder de identificatie met de vader, nu was het de geldingsdrang die hem voortstuwde. Eens zou hij een beroemd filoloog zijn, die “eeuwig in de herinnering van de mensen zou voortleven”. Op zijn vijftiende schreef hij een lijvige Geschiedenis van de Sterrenkunde waarin hij leven en betekenis van meer dan 200 astronomen behandelde (onder wie zijn held, “de onsterfelijke en zeer beroemde” Galilei), en die wordt afgesloten met een ontzagwekkende lijst geraadpleegde literatuur. Na wat kleinere werken, vertalingen uit het Grieks en filologische verhandelingen, leverde hij een lange studie af over het bijgeloof in de Oudheid. Hij deed er twee maanden over en las er alle relevante klassieke schrijvers op na. De brille van zijn wetenschappelijk werk viel op, hij begon naam te maken. Juist in die tijd deed zich in hem een 'literaire bekering' voor. Het hart, de dichtkunst, begon het over te nemen van het hoofd, de filologie. Zijn werk, in het bijzonder zijn poëzie, werd persoonlijker en intiemer.

In 1817 begon Giacomo in deze bibliotheek, tussen de werkzaamheden door, aan zijn Zibaldone. Een uiterst gevarieerd dagboek dat, toen het ruim 15 jaar later ophield, meer dan 4.500 pagina's zou tellen. Als je het doorbladert zie je het snel: de schrijver is waanzinnig geleerd, maar vrolijk is hij niet. Het kòn ook niet uitblijven. Niet alleen geestelijk - een toenemend gevoel van eenzaamheid - ook lichamelijk begon de roofbouw zich te wreken. Vader Monaldo had voor de kinderen, indachtig het mens sana in corpore sano, een turntoestel in de tuin laten plaatsen, maar dat zijn zoon daar ooit de handstand op heeft beproefd is niet waarschijnlijk. Het ziekelijke genie met zijn astmatische aanleg had hoogstens een korte wandeling gemaakt, hij had nooit rust genomen, weinig geslapen, onregelmatig gegeten. Jarenlang had hij, met slecht licht, boeken bestudeerd met moeilijk te ontcijferen Griekse of Hebreeuws teksten. Nu kwam er een oogziekte bij, die de studie ernstig bemoeilijkte - en haar later onmogelijk zou maken. Dat alles zou nog net te dragen zijn geweest als niet ook, door een vergroeiing van de wervelkolom, zijn rug een kromming was gaan maken, wat er door een voortdurend gebogen zit niet beter op werd. Langzaam groeide er een bochel en ook aan de borstzijde vormde zich een uitstulping. Is er ooit een dokter aan te pas gekomen? Wij weten het niet. De misvorming zou op latere portretten steeds discreet worden genegeerd.

LEEG EN ZINLOOS

In de Zibaldone wijst Giacomo elk verband tussen zijn pessimistische filosofie en zijn persoonlijke levensomstandigheden verontwaardigd van de hand, maar dat is natuurlijk onzin. Je zou zelfs kunnen zeggen dat de wanhoop met zijn bochel meegroeide. In de laatste adolescentenjaren werd de neurasthene melancholicus een radicale pessimist. Wat zat hij in deze zaal met tot de nok opgetaste kennis? Wat deed hij nog in Recanati, “de meest onbehouwen en dode stad van de Marche, de meest onwetende en plompe provincie van Italië”? Hoe groter zijn kennis van de wereld, des te meer verloor die wereld haar betekenis. Het leven was nietig en uitzichtloos. “Niets, volkomen niets, verveling.” Wat de mens voor geluk houdt, is een illusie. Het besef van de naderende dood is, met het verdriet, de enige realiteit van het menselijk bestaan. “De mens weet niets, hij is niets en hij heeft na de dood niets te hopen.” Hij zou deze hier wat ruw samengevatte gedachten later in de Zibaldone en de Pensieri met ijzingwekkende scherpte uitwerken en ze vormen, direct of afgeleid, de thema's van zijn Canti - de verloren jeugd, de vervlogen illusies, het zoeken naar de vrouw die niet bestaat, het onbereikbare geluk, de onafwendbaarheid van de dood, de wrede natuur die volmaakt onverschillig is voor het lot van de mens.

Nog voor zijn twintigste jaar zat Giacomo Leopardi terneergeslagen in deze bibliotheek. Hij had zijn lichaam, zo schreef hij aan zijn vriend Giordani, met een “krankzinnige en volstrekt wanhopige studie” geruïneerd en nu zat hij voor altijd met een “ellendig uiterlijk”. Een bundel kneuzingen, nog geen anderhalve meter hoog, zonder geld, te ziekelijk voor een reguliere betrekking. Een kind-grijsaard, thuis in de klassieke wereld, een vreemde in zijn eigen tijd. Hij leed aan een ernstige vorm van Weltschmerz en het zou nooit meer overgaan.

Nog één keer loop ik door de bibliotheekzalen. Daar staan ze, de zes dikke delen van de zestiende-eeuwse Bibbia poliglotta (Veeltalige bijbel) waaruit hij zich in recordtijd Grieks en Hebreeuws eigen maakte. “Niets is heerlijker dan studeren in de hoop op een allergelukkigste toekomst”, schreef hij, terugdenkend aan zijn vroege jeugd. Later omschreef hij zichzelf als “een romp die voelt en lijdt”. Waar hij zich ook zou vestigen - Milaan, Bologna, Florence, de laatste jaren in Napels samen met zijn vriend Antonio Ranieri - altijd zou hij de eenzame somberaar zijn die met een mengeling van verbazing (over zijn geleerdheid) en medelijden (wegens zijn bochel) tegemoet werd getreden. De vrouwen op wie hij hopeloos verliefd raakte, zouden hem beleefd afwijzen. Een gesprek over de dichtkunst kon hij krijgen, meer zat er met zijn mismaakte lichaam en zijn geringe lichaamshygiëne niet in. De inktkoker en de twee dekentjes hebben iets van hun vertederende charme verloren. Tijd om de zon op te zoeken.

Langs de stadsmuur lopend bereik ik in korte tijd de 'Heuvel van de oneindigheid'. Leopardi zat er vaak. In 1819 ontwierp hij hier een van zijn bekendste gedichten. Het was het jaar van zijn mislukte vlucht, en van een oogaandoening die hem de studie voor maanden onmogelijk maakte. Zo diep was zijn neerslachtigheid, dat zelfs “het verdriet geen troost meer kon geven”. De nog steeds stralende zon is naar de bergen toegekropen. Het panorama is van een wonderbaarlijke schoonheid en het is een vreemd idee dat ik kijk naar wat Leopardi zag toen hij het gedicht concipieerde. Hij heeft er lang aan geschaafd, het werd een 15-regelig monument van zeldzame berusting. Het moet haast wel: op deze eenzame heuvel heeft de schrijver zijn wanhoop een paar ogenblikken ingeruild voor een gevoel van sereen geluk.

Hierboven is o.a. geput uit Iris Origo: 'Leopardi, storia di un'anima' en uit de vertaling door Frans van Dooren van Leopardi's Pensieri en Canti.

    • Charles Coster