Vertraagde uitbreiding

IN TSJECHIË EN HONGARIJE, koplopers op 'de weg naar Europa' die alle Midden- en Oost-Europese landen zo graag bewandelen, hebben de kiezers onlangs hun oordeel gegeven over het beleid van hun regeerders. In beide gevallen was dat oordeel hetzelfde: de regeringspartijen verloren, de oppositie won. In Tsjechië won de linkse sociaal-democratische partij. In Hongarije won rechts: volgende week mag Viktor Orbán, leider van de rechts-liberalen, in Boedapest aantreden als voorzitter van een rechtse coalitie.

De verkiezingsuitslagen bevestigen een trend die in Oost-Europa al jaren te zien is: hoe goed of slecht de regeerders het ook doen, en welke politieke richting ze ook vertegenwoordigen, bij verkiezingen krijgen ze zware klappen. Uitzonderingsgevallen daargelaten wisselen overal in het vroegere communistische blok elke paar jaar regerende coalities en oppositiepartijen elkaar af. De rapporten die regeringen krijgen van buitenlandse regeringen, Europese instanties of financiële instellingen doen er daarbij weinig toe. Hongarije heeft jarenlang hoge cijfers gekregen en is al die jaren lang een favoriet geweest van buitenlandse investeerders: internationaal is er alle vertrouwen. In Tsjechië is het rooskleurige beeld dat al die jaren heeft bestaan vorig jaar vertroebeld, maar het land wordt onverminderd tot de koplopers in het oosten gerekend.

Tsjechische en Hongaarse burgers denken er intussen heel anders over. Hun perceptie is niet die van bankiers of investeerders. Zij oordelen dat - als er al sprake is van verbetering - de verbetering achterblijft bij hun eigen particuliere verwachting en dus vellen ze een negatief vonnis. De Tsjechen en Hongaren stemmen vanuit hun portemonnee, net zoals de afgelopen jaren de Polen, de Litouwers, de Roemenen, Bulgaren en Albanezen vanuit hun portemonnee hebben gestemd en de oppositie aan de macht hebben geholpen.

De politieke richting van de oppositie en de machthebbers doet daarbij nauwelijks ter zake, net zo min als het gevoerde beleid. Zelfs in extremen als het Joegoslavië van Miloševic, dat permanent op de rand van de economische afgrond balanceert en waar van hervormingen hoegenaamd geen sprake is, en het Slovenië van Janez Drnovšek, dat zoveel hervormingssuccessen noteert dat het nog ruim boven Polen, Tsjechië en Hongarije uitsteekt, hebben de regeerders bij de jongste verkiezingen forse klappen gekregen.

HET NEGATIVISME van de Oost-Euopese burger over zijn regering brengt gevaren met zich mee. Het oordeel impliceert immers dat wanneer het om zijn eigen levensstandaard gaat die burger het allemaal veel te lang vindt duren. Het impliceert ongeduld en desillusie. En die desillusie wordt nog groter nu de Europese Unie steeds duidelijker afstand neemt van het oorspronkelijke uitbreidingsschema: Polen, Hongarije, Tsjechië, Estland en Slovenië zouden zich aanvankelijk rond 2000 of 2002 als eerste bij de EU mogen aansluiten. Inmiddels blijken de moeilijkheden te zijn onderschat en wordt in het geval van Polen, de eerste kandidaat, gesproken over 2006 of nog later. Op een bijeenkomst in Salzburg werden deze week voor de kandidaten uit de tweede lijn als Roemenië en Bulgarije termijnen van 2010 en later genoemd.

Dat is slecht nieuws voor wie de politieke stabiliteit en de hervormingswil in Oost-Europa ter harte gaat. Het gevaar van een duidelijke afname van de uitbreidingswil bij de EU is dat een nieuwe scheidslijn wordt getrokken in Europa. De Bulgaarse premier Ivan Kostov vroeg in Salzburg om “meer dapperheid” bij de EU: “Een schema dat voorziet in aansluiting over tien jaar zal mijn generatie niet motiveren.” Het gevaar is, zei Kostov, dat de politieke instabiliteit toeneemt. Verwijzend naar de ondemocratische leiders van Joegoslavië en Wit-Rusland zei hij: “Er is geen alternatief voor snelle integratie. Het enige alternatief is een Miloševic- of Loekasjenko-achtig regime.”