Televisie in de oudheid

Als ik één ding niet in '46 verwacht had, was het wel de televisie. Maar zie: in november van dat jaar meldt de krant dat in Amerika de eerste tv-toestellen van de lopende band zijn gekomen. Er zijn daar inmiddels niet minder dan veertig zendstations in aanbouw. De beeldkwaliteit wordt uitstekend genoemd, vooral bij de weergave van sportgebeurtenissen. Wat televisie is, wordt in het bericht niet uitgelegd, dus bekend verondersteld.

De geesten waren er rijp voor. Binnen tien jaar was tv ook in Nederland een wijdverbreid verschijnsel. Iedereen wist wel een vriendje van een neefje van een buurjongen, waar ze televisie hadden. Daar kon je terecht op woensdagmiddag. Mensen met televisie hadden zo hun verplichtingen. Ze konden zeggen dat je je schoenen moest uitdoen, ze konden je naar de keuken sturen om je handen te wassen, maar ze konden je niet weigeren.

Televisie was iets waarvoor je de deur uit moest.

Hetzelfde gold voor de telefoon.

Op een ochtend in de zomer van '64 arriveerde ik op Herwijnen, en toen bleek Tante te zijn gestorven. Om mijn ouders in Arnhem op de hoogte te stellen, begaf ik mij naar de Van Arendonken. Ik kende het erf van die mensen, ik kende de hooiberg, de koestal en de deel, ik was er zelfs weleens in de keuken geweest, maar nu werd ik voor het eerst van mijn leven in de pronkkamer gelaten. Aan de andere kant, in Arnhem, moest mijn vader oversteken naar de Wielemans, niet hun bakkerij maar hun woonhuis, want het was op zondag. Normaal zou hij daar nooit een voet over de drempel hebben gezet; de mensen behoorden niet alleen tot de middenstand, ze waren nog katholiek ook. Dus dank zij de telefoon kwám je nog eens ergens.

Tegen het gebruik en vooral de aanschaf van telefoon, bestond bij ons een diepgewortelde weerstand. Ons soort mensen, dat stond vast, had zoiets niet. Een wasmachine, een pick-up, een bromfiets, zelfs een auto hoorde eerder tot de mogelijkheden dan een telefoon. Een eigen telefoon werd als een vorm van aanstellerij beschouwd, iets op de grens van het onbetamelijke. Telefoon viel onder de ban van 'doe maar gewoon, dan ben je gek genoeg'.

Televisie kon bij ons soort mensen wel degelijk. (Let op het ontbreken van het lidwoord: je had niet een televisie, je had televisie; televisie was niet zomaar een huishoudelijk apparaat, van meet af aan gold televisie als een manier van leven).

De weerstand tegen televisie lag uitsluitend in het financiële vlak. Voor een tv-toestel moest er gespáárd worden - op afbetaling gold voor ons soort mensen ook al als een onbetamelijkheid. Mijn moeder beheerde het salaris van mijn vader (wat beslist wat anders dan 'loon' was) met harde hand, én een Brabantia-huishouden.

In 1958 hadden wij nog geen televisie.

Dit jaartal staat als een heipaal in mijn geheugen vanwege de wereldkampioenschappen voetbal in Zweden, de zegetocht van een fenomenaal stelletje Brazilianen.

Wij woonden in Arnhem op de Geitenkamp en nóg loop ik zonder mankeren de drie adressen af, waar ik die zomer naar de tv heb gekeken.

Het eerste was van een jongen bij mij uit de klas (twaalf waren we), van wie ik me alleen de achternaam herinner, De Haan, en dat hij me een keer iets heeft laten zien, waaruit ik jaren later de conclusie trok dat hij besneden moet zijn geweest.

Het tweede was van een andere jongen van school, van wie ik me alleen de voornaam herinner, Tim, en dat zijn moeder in de lach schoot toen ik een grap maakte. 'Als dat zo doorgaat', zei ik bij een wedstrijd die nog maar net begonnen was, 'blijft het 0-0'. Zij begreep het tenminste. Toen ze ophield met lachen, keek ze me nog een tijdje peinzend aan. Stimulerend, zo'n moeder.

Op het derde adres kon ik alleen samen met mijn vader terecht, want dat was van een collega van hem. En dat brengt me meteen op nóg een plek, de meest memorabele van allemaal, de oerplek van het televisiekijken: de kazerne.

Mijn vader lag op Schaarsbergen. Daar was in tamelijk huiselijke gebouwen de Luchtmacht Electronisch Technische School (LETS) gevestigd. Er stond een televisietoestel in de onderofficiersmess. Dan gingen de gordijnen dicht, tv-kijken deed je in het donker. Dan stond er in de verte zo'n schimmig flakkerende viskom, en dan zat dat zaaltje afgeladen met mannen, die stuk voor stuk hun stemmen hadden gestaald door het commanderen van een troep soldaten.

Ik moet me wel heel erg sterk vergissen als we daar niet al in '54 naar de finale van het WK in Zwitserland hebben gekeken. En iedereen was voor die fantastische Hongaren (Kocsis, Puskas), of in ieder geval tégen die vreselijke Duitsers (Helmut Rahn, Fritz Walter). Dus de godverdommes waren niet van de lucht, de teleurstelling zwol oorverdovend aan toen de moffen hun beslissende doelpunt scoorden.

Goed, op de kazerne onderhield mijn vader relaties met mannen die 'techneuten' werden genoemd, die verstand hadden van allerlei moderne apparatuur. Dat kwam goed van pas toen we zelf televisie kregen, om te beginnen een Erres, een kolossaal ding met een teer gestel. Zeker, een televisie was toen nog iets dat kapot kon gaan. Meestal kon het mankement door zo'n techneut in de avonduren worden verholpen. Dat een toestel onder je ogen uit elkaar werd gehaald en na verloop van tijd weer in elkaar gezet - het waren momenten van de jaren '60, dan ga ik naar de HBS, dan heeft al bijna iedereen televisie - behalve in de betere kringen. Want dat probleem hadden zij weer, hún soort mensen kon zich geen televisie veroorloven (maar natuurlijk wel telefoon).

Toen ik in '67 het huis uitging en naar Nijmegen vertrok om mijn eigen bestaan in te richten, kreeg ik die oude Erres mee. We hebben de ombouw roze geverfd en hem ergens op de grond gezet. Zo, van alle kleinburgerlijke smetten gezuiverd, heeft hij nog geruime tijd dienst gedaan. Zo, in 1968, Olympische Spelen in Mexico, toonde hij ons het heldhaftige gebaar waarmee twee Amerikaanse hardlopers zich op het podium distantieerden van hun volkslied. Binnen een roze omlijsting, maar net boven het linoleum, waren deze gebalde vuisten precies op hun plaats.

Ik geloof niet dat hij ooit nog kapot ging, maar op zeker moment hebben we hem toch maar opgeruimd. Sinds die tijd hebben we een kleine televisie, waarmee we ons maar een beetje conformeren.

    • Koos van Zomeren