PLUS EN MIN BESTAAN NIET MEER; Ouders krijgen bijles in realistisch rekenonderwijs

Nieuwe woorden, nieuwe technieken. Om de rekenlessen van hun kinderen te kunnen volgen moeten veel ouders een aparte cursus volgen. 'Best een heel gedoe'.

STEL JE BENT OUDER, en je kind komt bij je met de vraag 'hoeveel 84 erbij 79 is'. Dan heb je snel de neiging om te zeggen: 'Oh, dat moet je onder elkaar zetten, negen plus vier is dertien, een onthouden, da's 16, dus totaal 163.' Mooi, maar je kind haakt al af bij 'een bewaren', want die term kent hij niet. Hij wisselt in op de abacus'', zegt Ben Hermeler. Hij is docent op het ROC Baronie College in Breda, en geeft al zes jaar lang 'Rekenen voor ouders' op basisscholen in Onderwijs Voorrangsgebieden (OVG-scholen) in Breda en Oosterhout.

De Tafels der Vermenigvuldiging bestaan nog altijd in het rekenonderwijs van nu,maar verder is er veel veranderd. Plus en min bestaan niet meer: kinderen krijgen erbij- en erafsommen. 'Plus is een handeling die niks zegt, terwijl erbij meteen duidelijk maakt wat de bedoeling is,' legt Hermeler uit. En was het vroeger muisstil in de klas als iedereen met klamme handjes over zijn sommen gebogen zat, vandaag de dag mag er tijdens de rekenlessen gepraat worden. In overleg bereik je immers de beste oplossingen voor een probleem? Want zo worden sommen gezien: als een probleem.

Kinderen leren rekenen in de context van een verhaal: als we met de hele school een dagje uit gaan, hoeveel bussen hebben we dan nodig? “En dan mag er best even gepraat worden over waar we naar toe gaan en wat we meenemen”, vindt Peter Schoenmakers, docent groep 5 op katholieke basisschool Hagehorst in Breda, “zodat ze eigenlijk ongemerkt aan het rekenen slaan.” De context maakt het nut van leren rekenen duidelijk. Bovendien maakt het de integratie tussen de vakken makkelijker, vindt Schoenmaker's collega Mark Timmermans: 'Als je in de aardrijkskundeles een reis maakt van Heerlen naar Utrecht kun je de leerlingen meteen laten uitrekenen wat de afstand is die ze afleggen.' Doel van het realistische rekenonderwijs is om de kinderen inzicht te laten krijgen in het hoe en waarom van getallen. Ze leren meer dan de trucs van het delen en vermenigvuldigen, ze leren begrijpen wat ze doen. En juist dat kan ouders in de problemen brengen als zij hun kind willen helpen bij het rekenen, aldus cursusleider Hermeler.

ABACUS

Een groot verschil is dat grijpt het realistisch rekenonderwijs teruggrijpt op een 5.000 jaar oud hulpmiddel: de abacus, een in vierkante vakken verdeeld rekenbord. In de moderne vormgeving lijkt de abacus een telraam op zijn kant, waarbij de felgekleurde kralen niet van links naar rechts maar van boven naar beneden schuiven. Eind groep vijf doet de abacus zijn intrede op de schoolbanken van de leerlingen, waarna deze in groep zes weer van tafel verdwijnt. De abacus leert de kinderen getallen verdelen in groepen. Op de abacus zien zij drie rijen kralen voor zich, met van rechts naar links de enen, de tientallen en de honderdtallen. Tachtig is acht tientjes en moet je er zes van afhalen dan wissel je eerst een tientje in voor tien eentjes, waarna je er zes kunt afhalen.

“Best een heel gedoe”, vindt cursiste Diana Dielemans, moeder van Denya (9), dat rekenen met de abacus. Hoewel ze zich tijdens de cursus in de klas best onzeker voelde - “vooral als ik voor het bord moest komen, dat vond ik toch wel erg spannend” - is zij erg te spreken over de cursus. “Ik vind het belangrijk om op de hoogte te zijn van wat ze in de klas doen.” Mede-cursiste en buurvrouw Ankie Vermetten, moeder van Bram (9) vult aan: “Er is al zoveel waar Bram mee komt waar ik geen antwoord op heb, dat ik het fijn vind dat ik hem met rekenen in ieder geval wel kan helpen.” Dat helpen speelt vanaf groep zes (de oude vierde klas van de lagere school) een rol, dan , wanneer de kinderen echt gaan cijferen. In groep vijf levert het rekenen voor de meeste kinderen niet veel problemen op.

Tragisch genoeg nemen juist de ouders van de kinderen met de meeste rekenproblemen geen deel aan de cursus, vertellen de beide docenten. Toch zijn zij niet ontevreden met de deelname aan de cursus, die gemiddeld rond de dertig procent schommelt. Voorafgaand aan de cursus kunnen ouders een rekenles in de klas bijwonen om kennis te maken met de methode. Dankzij een vrij dwingende uitnodiging, opgesteld door de Bredase Onderwijs Begeleidingsdienst, die het organisatorische deel van de cursus voor haar rekening neemt, worden hiermee tweederde van de ouders bereikt. Die hoge opkomst is vooral voor de kinderen belangrijk, want daarmee tonen de ouders echt belangstelling voor wat zij doen.

Tijdens deze proefles werft Hermeler zijn cursisten: over het algemeen moeders van Nederlandse afkomst. Het aantal vaders is laag - waarschijnlijk te verklaren uit het tijdstip waarop de cursus wordt gegeven: vijf doordeweekse ochtenden. Ook het aantal allochtone deelnemers is laag. Onvoldoende kennis van het Nederlands speelt daarbij een rol, maar ook cultuurverschillen spelen mee. Allochtone ouders geven de opvoeding gedurende schooltijd over aan de school en kennen van huis uit niet de betrokkenheid van de Nederlandse klaar-over- en leesmoeder-cultuur.

Wat de effecten zijn voor het leergedrag van de kinderen als de ouders de cursus hebben gevolgd is niet onderzocht. Toch geloven de docenten er heilig in dat het werkt. Als het niet in direct meetbare resultaten is, dan toch zeker in vergrote betrokkenheid en belangstelling. Juist binnen OVG-scholen ontbreekt het bij sommige ouders nogal eens aan belangstelling. “Er zijn ouders die niet weten bij wie hun kind in de klas zit”, aldus Timmermans. Die belangstelling en betrokkenheid vinden beide docenten belangrijk, 'omdat je toch een voor een deel samen die kinderen opvoedt.'

FINANCIERING

De cursus 'Rekenen voor ouders' kost de school niets. Het enige wat de basisschool doet is ruimte beschikbaar stellen. De overige kosten waren altijd voor het ROC Baronie College, die ook een cursus 'aanvankelijk lezen voor ouders' (voor kinderen in groep drie) heeft ontworpen. Nu op het Bredase ROC echter het reguliere werk enorm toeneemt verschuiven nevenactiviteiten als de rekencursus naar de achtergrond. De 'promotie' van de activiteiten van het ROC, wat een impliciet doel van de cursus was, is niet meer nodig. Dat betekent dat het ROC de financiering van de cursus niet langer voor zijn rekening neemt. In Oosterhout betaalt de gemeente de cursus nu uit OVG-gelden en de verwachting is dat de gemeente Breda hetzelfde zal gaan doen.

    • Jacqueline Kuijpers