'Parelkettingen werken ook goed'; Hoofdofficier Holthuis over onderzoek naar crisis in opsporing

De druk op het openbaar ministerie om te scoren in de strijd tegen de zware misdaad heeft justitie kopschuw gemaakt. Dat bleek deze week uit onafhankelijk onderzoek. “Absoluut onjuist”, reageert de hoofdofficier van het landelijk parket van het OM, Hans Holthuis.

ROTTERDAM, 27 JUNI. Nou dit weer. Net nu er weer “zo goed en stevig wordt opgespoord” door het openbaar ministerie verschijnt er een rapport dat het OM afschildert als een door “de cultuur van de angst” verlamd apparaat. Een club van 'corpsballen' en 'parelkettingen' die sinds de IRT-affaire voornamelijk met de armen over elkaar zit uit angst om wegens het maken van fouten te worden 'gedeporteerd naar Siberië'.

De hoofdofficier van het landelijk parket van het OM, H. Holthuis, was not amused toen hij deze week, via de krant, kennisnam van het rapport Boeven vangen in de polder. Uit dit door onafhankelijke organisatieadviseurs opgestelde verslag van een rondgang door het opsporingsapparaat blijkt dat het OM de crisis in de opsporing, zoals die naar voren kwam uit de parlementaire enquête in 1995, nog lang niet heeft verwerkt. Justitie gaat gebukt onder bureaucratische regelzucht en wordt voor een deel - zoals de Raio's (rechterlijke ambtenaren in opleiding) - bemand door wereldvreemde academici waardoor de vraag gerechtvaardigd is of “wij als samenleving bepaalde typen misdaad niet meer willen bestrijden”.

“De Raio op mijn parket was diep geschokt door het rapport”, zegt Holthuis. Maar ook de hoofdofficier zelf, die nog een tijdje conrector is geweest van de Raio-opleiding en behoorde tot de groep van 62 personen die voor het onderzoek is ondervraagd, noemt de hoofdconclusies “absoluut onjuist. Er staat bijvoorbeeld in dat de criminelen zich rot lachen. Dat geldt dan toch in ieder geval niet voor de criminelen die zitten te brommen”.

Natuurlijk, de IRT-affaire heeft een forse klap toegebracht en niet iedere magistraat is zijn frustratie te boven, maar voor het overige is er de afgelopen drie jaar winst geboekt. “We hebben de troepen gehergroepeerd en zijn succesvol begonnen naar alternatieven te zoeken voor de aanpak van de georganiseerde misdaad”, zegt Holthuis.

“We kunnen nu meer en door de nieuwe regelgeving feitelijk beter gelegitimeerd ons werk doen. Er komt straks bijvoorbeeld een procedure die ons in staat stelt de identiteit van informanten beter af te schermen.” Hoewel, echt meer middelen dan in de ruige IRT-tijd kan Holthuis niet noemen. “Maar het is wel frappant dat leden van de Tweede Kamer er na een dienstreis in de Verenigde Staten achter komen dat het direct afluisteren van verdachten in hun woning een goed opsporingsmiddel is. Dat is winst. Daaruit blijkt maar weer dat het goed zou zijn een betere dialoog te hebben met het parlement.”

De hoofdofficier noemt de ontwikkeling die het financiële rechercheren doormaakt als hét voorbeeld van de nieuwe tijd waarin “het management geprikkeld is” andere wegen te zoeken. “Het met behulp van financiële deskundigen analyseren van geldstromen geeft hoopvolle resultaten te zien. In vier zaken van ons landelijk rechercheteam is succesvol voor 25 miljoen gulden beslag gelegd. Ook richten we ons meer op dienstverlenende sectoren zoals banken en transportbedrijven en daarbij hoeven we minder gebruik te maken van klassieke opsporingsmethoden.”

Holthuis is ook voorzitter van een van de twee kamers van de zogeheten Centrale toetsingscommissie (CTC) die toestemming moet geven voor vergaande opsporingsmethoden zoals infiltratie en het oprichten van front stores. “Ook daar merk ik dat er van risicomijdend gedrag geen sprake is.” In 1997 is 43 keer toestemming verleend voor een vergaand opsporingsmiddel, in 1996 veertig keer, zo blijkt uit het nog niet gepubliceerde CTC-jaarverslag.

Toch valt in het OM te vernemen dat men geen goede “informatieposities” meer heeft in het criminele milieu omdat men nauwelijks nog van burgerinfiltranten gebruik mag maken (slechts twee keer in 1997). Het Haagse OM betaalde een getuige onlangs 25.000 gulden voor een verklaring. “Zo bizar is dat nou ook weer niet. Het belonen van informanten is geen nieuw fenomeen”, zegt Holthuis, die verder niet op deze zaak wil ingaan. De kritiek op de naïeve OM-cultuur die goed samenwerken met de recherche onmogelijk maakt, onderschrijft Holthuis slechts zeer ten dele. “Er zou wel op grotere schaal een dialoog moeten zijn met de recherche. Je moet aanwezig zijn als officier en uitleggen welke keuzes je maakt. Maar 'parelkettingen' zijn soms uitstekende officieren van justitie.”

Holthuis geeft wel toe dat het steeds moeilijker is goede juristen aan te trekken. “Door het negatieve beeld dat de media van ons schetsen, is het lastig werven. Ik denk dat dit een tijdelijke kwestie is. Het is wel zaak de aantrekkelijkheid van het OM te vergroten. Het zou goed zijn om in navolging van bedrijven en advocatenkantoren al tijdens de studie juristen te werven voor het lopen van een stage bij het OM. Dan kunnen we laten zien hoe ontzettend leuk het bij het OM is.”

De slotconclusie van de onderzoekers dat een nieuwe IRT-affaire niet is uit te sluiten omdat de politie door de overdaad aan regelgeving naar stiekeme methoden gaat zoeken, vindt Holthuis te negatief. “Het OM zit er nu bovenop, dus voor ondergronds rechercheren is geen ruimte. Als we de dialoog en de samenwerking met de politie goed houden, staat voor mij vast dat we niet meer in dezelfde valkuil stappen.”

    • Marcel Haenen