Pantervel

In onze tuin zal dit jaar het jaar van het vingerhoedskruid zijn geweest. Voor wat nu al maandenlang lijkt, zijn wij onthaald op de aanblik van vingerhoedskruid net buiten het eetkamerraam, net of je in 't bos zit. Het is de gewone soort, Digitalis purpurea, niet eens de mooie witte variëteit en zeker niet die vreselijke hybriden die de bloemen op elkaar gepakt rond de stengel hebben zitten. Nee, dit is de fastoenlijke soort, met paarse bloemen, aan één kant, allemaal dezelfde kant uitkijkend; de grootste plant is haast twee meter hoog.

Het was een belevenis ze te volgen bij het bereiken van dit stadium, en tamelijk geheimzinnig, waar we in plaats van met tweejarigen hier te maken lijken te hebben met het hoogst zeldzame vierjarige vingerhoedskruid. Het is een jaar of zeven geleden dat er vingerhoedskruid op die plek stond, en toen er zaailingen verschenen - zaad van vingerhoedskruid blijft lang kiemkrachtig - zaten ze twee hele jaren uit zonder te bloeien, om dat eindelijk dit voorjaar pas te doen, in het vierde jaar van hun leven. Toen ze aan bloeien toekwamen waren ze dan ook enorm, met grote uitgespreide bladeren, als groente; ik kan niet zeggen dat ik moe was er naar te kijken maar het scheelde weinig.

De bloemen van vingerhoedskruid gaan nooit allemaal tegelijk open, ze beginnen onderaan de stengel en tegen de tijd dat het bloeien de top heeft bereikt is de voorhoede allang afgevallen. Ze zien er dan niet op hun best uit; zoals Christopher Lloyd schrijft: 'tegen de tijd dat de laatste bloemen opengaan ziet de stengel er uit als een dolgeworden groene slang. Graag de planten op tijd uitgraven.' Dit nu is het soort advies dat ik niet in staat ben op te volgen, ik kan mij er niet toe brengen planten die nog knoppen hebben te verwijderen, hoe dol ze ook zijn geworden. Ik zit er ook over in dat ze nog geen tijd hebben gehad om zaad te vormen, want na zoveel vingerhoedskruidloze jaren ben ik vastbesloten de volgende jaren er meer van te hebben. Ik zag een paar voortuinen met vingerhoedskruid als kuddes giraffen, zo wil ik het ook.

Een poosje geleden kocht ik een boek genaamd Wild Flowers in Literature door Vernon Rendall (1934). Als iemand mij vijftien jaar geleden had gezegd dat ik eens een dergelijk boek zou bezitten, zou ik in lachen zijn uitgebarsten; het is even mallotig als Lucia's Shakespearetuin in E.F. Benson. Maar de tijden zijn veranderd; toch heb ik nog wel kritische vermogens over, zelfs op dit gebied: het is geen goed boek. Er staan te veel gedichten in waar toevallig een wilde bloem in voorkomt, op de manier van 'there are foxgloves in the wood,' waar je bijna elke andere plantennaam zou kunnen invullen. Maar er staan een paar merkwaardige opmerkingen in over vingerhoedskruid; een is een beschrijving door Wordsworth van hoe het er uitziet als de zomer bijna voorbij is, 'And stood of all dismantled, save the last/ Left at the tapering ladder's top, that seemed/ To bend as doth a slender blade of grass/ Tipped with a rain-drop..'

Wordsworth geeft dit als een voorbeeld van de 'rare dwalingen' die hij in een bepaalde periode in zijn poëzie gebruikte, waarin hij 'een of andere vagebondmoeder' onder zulk vingerhoedskruid liet zitten en haar omringde met zorgeloze kinderen, spelend met de afgevallen bloemen. Als ik nu uit het raam kijk zie ik mijn vingerhoedskruid als achterhaalde jeugdbeeldspraak. Hoewel ik me inderdaad kan herinneren dat ik er mee speelde: we deden er een op elke vinger en vroegen ons dan af hoe het verder moest. Tegenwoordig is er aan vingerhoedskruid een gezondheidsclausule verbonden, in Engeland tenminste, want ze zijn heel giftig.

Het is dankzij het werk van William Withering, botanist en chirurgijn, dat het vingerhoedskruid verantwoordelijk werd voor de ontwikkeling van de moderne artsenijbereiding. Withering onderzocht de rol van vingerhoedskruid in de behandeling van waterzucht; hij ontdekte dat het niet werkzaam was als diureticum, zoals werd aangenomen, maar door het reguleren van de hartslag. Dat was weer wat de nieren stimuleerde overtollige vloeistoffen uit het lichaam te verwijderen. Maar de dosering was kritisch, te veel kon het hart geheel stilleggen, en het was Witherings nadruk op nauwkeurig meten, in zijn boek An Account of the Foxglove (1785), die zou leiden tot grotere zorg en precisie bij plantaardige medicijnen.

Mijn wilde bloemenboek onthult ook dat John Ruskin niet van vingerhoedskruid hield, hij vond het een 'kwaadaardige plant'. Hij verdeelde planten in twee soorten: goede zoals de boterbloem, en slechte, want gespikkeld, zoals het vingerhoedskruid. Voor anderen zijn die spikkels juist het weergaloze van het vingerhoedskruid; van buitenaf ziet de bloem er niet gespikkeld uit, maar als je er in kijkt zie je dat charmante luipaardvel, die aandoenlijke sproeten, die blijkbaar zo onweerstaanbaar zijn voor bijen. Om ervoor te zorgen dat je vingerhoedspopulatie wit blijft - de paarse soort neigt tot terugkomen - moet je alle zaailingen verwijderen die maar een vleugje paars in hun stengel hebben; hun paarsheid verraadt zich hierdoor namelijk al op jeugdige leeftijd.

Ruskins theorie herinnert aan het leerstuk der signaturen, het 16de- en 17de-eeuwse geloof dat God op de planten het stempel van hun heilzame werking had gezet: planten met hartvormige bladeren genazen hartkwalen en planten met geel sap genazen geelzucht. Een plant welks naam hiervan nog getuigt is Pulmonaria, longkruid in het Nederlands, lungwort in het Engels, waarvan de bladeren blijkbaar lijken op zieke longen en derhalve bedoeld waren om longen te genezen.

Pulmonaria is een schaduwplant en gedurende enkele jaren had ik een hybride van P. officinalis, geheten 'Sissinghurst White'. Zij maakte er niet veel van en vorig jaar besloot ik een andere te proberen, P. saccharata - een grote verbetering. De bladeren zijn eleganter en zij heeft er nu al veel meer dan haar futloze voorgangster ooit heeft gehad, zij is bovendien van een uitgelaten, baldadige gespikkeldheid. Zij staat naast het vingerhoedskruid; dat zou Ruskin echt een gruwel zijn geweest.