OOSTENRIJK

Kort geleden kreeg ik de artikel 'Strijd tegen de 19de eeuw' van Karin Jusek, (W&O, 4 april) in handen. Ik betreur dat in het stuk een reeks van uitspraken staan die met mijn naam in verband gebracht zouden kunnen worden. Misschien had uw correspondente ook andere interviewpartners, maar aangezien ik de enige ben die met naam wordt genoemd, zouden deze uitspraken mij toegeschreven kunnen worden.

Mijn opvatting is _ en ik heb dat ook in een reeks van publicaties steeds benadrukt _ dat de Oostenrijkse universiteiten inderdaad in een overgangsfase zijn. Als staatsinstellingen met tot in alle details geregelde structuren, zoals gebruikelijk in de 19de eeuw, maken ze nu de stap naar de 21ste eeuw om juridisch zelfstandige universiteiten te worden. Met deze uitspraak doelde ik uitsluitend op veranderingen in juridische zin. Het was nooit mijn bedoeling onze universiteiten als betreurenswaardige en achterlijke instituten te beschrijven en de docenten en professoren voor deze stand van zaken verantwoordelijk te stellen, zoals in uw artikel wordt gesuggereerd.

Op de vraag van uw correspondente naar de onderwijslast van professoren vertelde ik dat een dergelijke verplichting niet bestaat maar dat acht uur onderwijs gebruikelijk zijn. Verder staat in het stuk dat het aanzien van de universiteiten nogal gering zou zijn. Ik deel deze mening niet, net als de opmerking over het traditionele anti-intellectualisme. Ook ben ik zeker niet van mening dat professoren zelf zouden mogen bepalen hoeveel tentamens ze afnemen. Ik zou het betreuren als bij de lezers van uw krant de indruk werd gewekt dat de Oostenrijkse universiteiten zich in een beklagenswaardige toestand zouden bevinden.

    • Prof. Dr. Siegurd Höllinger