Murat gaat naar een 'witte' school

Steeds meer allochtone ouders kiezen een witte basisschool om hun kinderen met de Nederlandse taal en cultuur in aanraking te brengen.

UTRECHT, 27 JUNI. 's Winters vervloekt de Turkse H. Can haar keuze om Murat (8) naar een school buiten de buurt te sturen. Dan moet ze opstaan in het donker en enkele kilometers door de kou rijden naar de rand van haar wijk, het Utrechtse Kanaleneiland-Zuid. 's Zomers vervloekt ze die keuze ook. Dan horen Murat en zijn broertje de Turkse kinderen buiten spelen tot het donker is, om tien uur. Probeer ze dan maar eens om zeven uur in bed te krijgen, zoals Murats school nog van ouders verwacht.

Maar Can (30) zet door omdat ze gelooft dat Murat op de Anne Frankschool beter Nederlands leert dan op de scholen in haar buurt. Alleen Turks en Marokkaans spreken ze daar op het schoolplein, weet Can, bij gebrek aan Nederlandse leerlingen. Op de Anne Frankschool is 40 procent van de kinderen Hollands. “Murat móet Nederlandse woordjes leren”, herhaalt Can voortdurend. Want thuis spreekt het gezin ook al Turks. En als de Nederlandstalige Cartoon-zender uitgaat, gaan de Turkse satellietkanalen in de woonkamer aan.

Can is administratief medewerkster en behoort tot een groeiende groep allochtone ouders die 'zwarte' scholen (ruim 75 procent allochtone leerlingen) mijdt. Ze verkiezen voor hun kinderen een zo wit mogelijke basisschool, meestal buiten hun woonbuurt. Allochtone ouders die klagen dat er te veel allochtonen zijn, zo vatten basisschooldirecteuren de ontwikkeling vaak samen met een ongemakkelijke lach. Naast de 'witte vlucht' van Nederlandse ouders die hun kinderen met de auto naar witte scholen buiten de oude stadswijken brengen en de 'mono-etnische' keuze van de allochtone ouders die het liefst bij hun eigen etnische groep op school zitten, signaleren scholen nu deze 'grijze vlucht'. Wetenschappers, minderhedenorganisaties en het ministerie van Onderwijs hebben geen cijfers over de grijze vlucht. Maar veel basisscholen in de grote steden kennen het verschijnsel.

Pagina 3: 'We zijn toch niet dommer dan anderen?'

Het zijn hoogopgeleide of laagopgeleide maar ambitieuze ouders van vooral Turkse en Surinaamse afkomst. Ze hebben er dagelijks een reis voor over opdat hun kind naar school gaat met Nederlanders. “Niet alleen om de Nederlandse taal te leren, maar ook om te leren omgaan met de cultuur van het land waar ze wonen”, zegt onderwijsmedewerker Z. Arslan van de minderhedenorganisatie Forum. Hij juicht de ontwikkeling toe. “Hoe kunnen allochtone kinderen anders integreren? Hoe worden zij succesvol op de arbeidsmarkt als ze alleen met allochtonen omgaan omdat de Nederlanders hun scholen en buurten verlaten?”

De Anne Frankschool, op de rand van de wijken Kanaleneiland-Zuid en het rijkere Oog in Al, heeft gemengde gevoelens over de grijze vluchters. “Wij accepteren het van niemand dat die 'te veel allochtonen op andere scholen' opgeeft als reden om hier te komen. Dus ook niet van allochtonen”, corrigeert interim-directeur E. Lagewaardt. En toch kan zij begrip opbrengen voor vluchtgedrag, omdat deze voorheen-witte school juist zelf zoveel mogelijk Nederlandse leerlingen wil aantrekken. De school zou een “ideale mix” moeten zijn van fifty-fifty, vindt Lagewaardt. De verhouding is nu zestig procent allochtonen op veertig procent autochtonen. “Zodra je zakt naar dertig procent, trekken álle Nederlandse ouders naar Oog in Al.”

Can en de Turkse moeder A. Cetin vormen de onderkant van de grijze vlucht: ze zijn laagopgeleid en willen dat hun kinderen het verder schoppen dan zijzelf. Cetin groeide op in Kanaleneiland-Zuid “toen er nog veel Nederlanders woonden en wij dus snel Nederlands leerden”. Andere tijden. Bij mooi weer lijkt het straatbeeld hier tegenwoordig op dat van een Turkse stad: Turkse mannen sleutelen aan auto's, Turkse kinderen voetballen en Turkse vrouwen praten van balkon tot balkon. Cetin verliet de wijk destijds en ging naar een middelbare school in Turkije; Can doorliep de huishoudschool in Utrecht.

Veel allochtone ouders koesteren te hoge ambities voor hun kinderen, blijkt uit onderzoek van het Instituut voor Toegepaste Sociale Wetenschappen (ITS). Zo verwacht 46 procent van de Turkse ouders en 41 procent van de Marokkaanse ouders dat hun achtjarige kind later naar het VWO kan, terwijl gemiddeld 4 procent van de Turkse kinderen dat doet en gemiddeld 4,7 procent van de Marokkaanse. Zo'n zestig procent van de Nederlandse ouders verwacht hetzelfde, maar daar krijgt 26,3 procent van de twaalfjarigen een VWO-advies van de basisschool.

Dat ouders hogere verwachtingen hebben van hun kinderen dan de CITO-resultaten rechtvaardigen, betekent niet per se dat ze hun kinderen overschatten, zegt ITS-onderzoekster L. Mulder. “Misschien halen de scholen niet alles uit de kinderen.”

Succes staat of valt met een goede relatie tussen ouders en basisschool, vindt de Turkse Oudervereniging Kanaleneiland-Zuid. Scholen klagen vaak dat Turkse ouders te weinig betrokkenheid tonen, legt M. Konus van het verenigingsbestuur uit. Des te pijnlijker was de voorlichtingsbijeenkomst van de vereniging onlangs in Buurthuis Kanaleneiland-Zuid, toen maar twee van de zes genodigde basisscholen kwamen opdagen. Zo'n zestig Turkse mannen en vrouwen zaten naast Turkse hapjes te wachten op uitleg over CITO-toetsen en verwijzingen naar het voortgezet onderwijs. Zowel het verenigingsbestuur als wethouder Leenhorst (Onderwijs), die wel was gekomen, putte zich uit in excuses tegenover de beledigde vaders: scholen hebben het druk voor de zomervakantie. Toch zijn weinig ouders in Kanaleneiland-Zuid actief betrokken bij de school. Can en Cetin hebben het geluk dat hun echtgenoten hun ambities waarderen en steunen. Can: “Ik mag werken van mijn man en initiatieven nemen om Murat vooruit te helpen.” De moeders onderstrepen dat ze niet vluchten voor zwarte scholen omdat ze allochtonen slecht of onaardig zouden vinden. Maar ze hebben vertrouwen in de capaciteiten van hun kinderen. Cetin weigert te geloven dat Turkse kinderen alleen geschikt zijn voor het voorbereidend beroepsonderwijs, een uitkering of criminaliteit. “Wij zijn toch niet dommer dan anderen?”