Lekker rammen

Prügeln ist immer fein, auch wenn man selber Hiebe kriegt', zei de Duitse soldaat. In het modernste Nederlands: 'Rammen, altijd tof, ook als je d'r zelf een paar voor je kanis krijgt.' Zoiets, lijkt me. Er kan nog wat aan de vorm worden geschaafd, maar dit dekt de inhoud. Degene die hier wordt geciteerd moet nu ongeveer honderd jaar zijn. Hij komt voor in de roman van Ernst von Salomon, Die Geächteten (De getekenden), die uitvoerige beschrijvingen bevat van de strijd aan de Duitse noordoostgrens, tussen ongeveer 1918 en 1922. Beschrijvingen die er niet om liegen; van wat we nu misschien grootschalig zinloos geweld zouden noemen. De 'vrijkorpsen' die daar bezig zijn geweest, hebben weer veel personeel aan de SA geleverd. Als ik over voetbalrellen lees, denk ik weleens aan deze soldaat van toen.

De Volkskrant van vrijdag bevat zeker een halve pagina beschouwingen over de vechtpartijen in Lens, met toelichting en commentaar, onder andere van mensen die zich hooligan-expert noemen. “Hardhandig neerslaan van voetbalgeweld helpt niet”, zegt de heer H. Groenevelt, chef van het Centraal Informatiepunt Voetbalvandalisme. De bioloog-ethnoloog, de heer O. Adang en J. Williams van het Chester Center for Football Research zijn het met hem eens. Samengevat: de Fransen hebben veel te snel naar hun knuppel gegrepen. Zo maak je er een groep van, en dan krijg je vanzelf oorlog.

Wat dan? Een ongure kaalkop met een stuk ijzer in zijn ene hand en in zijn andere een gsm glimlachend tegemoettreden en een bonbon aanbieden. Hij pakt de bonbon af en slaat je onder glimlachende goedkeuring van zijn vrienden in een coma. “Het is beter om de hooligans in een vroegtijdig stadium te identificeren, ze nauwlettend te volgen en bijtijds op te pakken”, zegt de heer Adang. “Kennen en gekend worden, noemt de Nederlandse politie dat.” Zoiets lijkt me al heel wat beter. Maar dan daaruit de doelmatige consequenties trekken, dat is nog iets anders.

Hoewel ik nooit in een stadion kom en ik op 22 mei 1939 mijn laatste wedstrijd heb gespeeld, vind ik dat ik mezelf een veteraan onder de kenners van het voetbalgedrag kan noemen. Toevallig, omdat ik af en toe terecht ben gekomen op een station of in een tram waar grote groepen supporters zich op de wedstrijd aan het voorbereiden waren. Ik heb er een paar keer verslag van gedaan, onder andere op deze plaats, 16 september 1995. Dat ik hier nu in gezondheid aan dit stukje zit te tikken, schrijf ik toe aan mijn meegaand tot onderworpen gedrag, toen in lijn 16. In politietaal: ik kende en ik slaagde erin, minimaal gekend te worden.

Sindsdien - heb ik in de krant gelezen - zijn er ettelijke trams en treinstellen afgebroken, mensen het ziekenhuis ingeslagen, er is iemand gesneuveld. Komt dan niet in het hoofd van de naïeve waarnemer de vraag op of we wel de goede deskundigen hebben aangesteld? Dat er iets aan het kennen en gekend worden ontbreekt?

De politie in Amsterdam voelt zich onveilig, lees ik op dezelfde pagina. Per week raken ongeveer dertig agenten licht gewond. Huisdokters gaan preventief op karatecursus. Tandartsen schatten de lichaamskracht van een patiënt, kijken hem eerst eens voorzichtig in de ogen voor ze gaan boren en trekken. Dr. A. Jansens is gepromoveerd op een proefschrift over belediging. Het is een uitstekend onderwerp, ik ga het boek lezen. Intussen heeft een deskundige van de verkeerspolitie bekendgemaakt dat er nergens zoveel wordt beledigd als in het verkeer.

Alleen voetbal kan het dus niet zijn. De auto, de stress, kiespijn, alcohol, de 24-uurs economie, een chef die je pest, een muisarm, en dit allemaal bijelkaar? Zou je daarvan niet zonder kaartje met z'n allen naar een voetbalwedstrijd gaan om op het plein voor het stadion de eerste de beste flic in elkaar te rammen? (Zodat de mensen thuis iets meer hebben om over te praten dan de 1-0 of de 2-5 die daarbinnen tot stand wordt gebracht?)

Wat 'het probleem van het voetbalgeweld' heet, wordt schijnheilig beschreven. Het geweld is bijna overal, het stroomt uit de televisie, het dondert door de bioscoop, er is een industrie op gebouwd, het brengt erkenning, publiciteit en prestige. Het sijpelt al een halve eeuw steeds verder door tot in de nerven van de cultuur. Het schijnheilige ligt in de tegenstelling tussen de dagelijke propaganda van geweld, de lust tot kapotrammen, en de tegenmaatregelen, de hype van de ééndags-ontzetting, de geschoktheid, het sturen van ansichten met lieveheersbeestjes, en het dan weer, zonder blikken of blozen, overgaan tot de orde van de dag die meer geweld belooft.

De soldaat van Ernst von Salomon klinkt modern. Heeft niet onlangs een Nederlandse jongere met zo'n uitspraak het tot de voorpagina en een actualiteitenrubriek gebracht? Die had zich toen van een fietsketting bediend.

Ach, zie ik de afstandelijke, oliedomme columnist schrijven: geweld is van alle tijden. Als Shakespeare een drama schreef, lag aan het einde het toneel ook al vol met lijken. Het valt niet tegen te spreken. Maar een misdadiger op je stoep is geen acteur in een toneelstuk, en je hoeft hem niet te begrijpen voor je je kunt verweren.

    • S. Montag