Iemand moet me tegenhouden; De woede van een bendemeisje

Lieve Jaja, noemt haar familie haar. Voor de politie is ze de leider van de meidenbende Young Yellow Killers. Deze week moet ze voorkomen, samen met vier vriendinnen, wegens zware mishandeling. Ze kan niet eens vechten, zegt haar moeder. Maar Jubisay Trinidad kan ineens de kwade geest in zich krijgen en dan kun je haar maar beter uit de weg gaan. Want je blijft niet heel.

Jubisay Trinidad (18) uit Spijkenisse heeft net eindexamen gedaan, VBO koken en serveren. Vorig jaar heeft ze het ook geprobeerd, maar toen zakte ze. “Ik moest om de haverklap op het politiebureau komen.” Op maandag 16 maart van dit jaar, om half zes 's ochtends kwam de politie naar haar toe.

Shalena Trinidad, de moeder van Jubisay: “Toen de politie zo vroeg voor de deur stond, ging ik meteen huilen. Ik dacht: mijn moeder is dood. Toen begonnen ze tegen de deur te trappen. Ze kwamen mijn kind halen.”

Drieëneenhalve dag moest Jubisay de cel in, samen met haar vriendinnen Elly, Erika, Sharida en Fabiënne. De aanklacht: zware mishandeling en geweld tegen ten minste zeven meisjes. Een meisje werd met haar hoofd tegen een betonnen muur geslagen, haar kleren werden verscheurd, haar haren afgeknipt. De andere meisjes zijn 'redelijk heel' gebleven.

De Young Yellow Killers, zo noemden de meisjes zichzelf. “We zijn jong, hebben een gele zakdoek in onze achterzak, en we killen.” De naam is van twee jaar geleden, toen ze nog met vijftig meisjes waren. Inmiddels zijn er een paar overgestapt naar de Young Psycho Killers, daar zitten ook jongens bij. Het handjevol meisjes dat achterbleef, heet nu The Green Bandits. De zakdoek is groen geworden. Maar eigenlijk doet de naam er niet zoveel toe. “Namen zijn uit.”

De politie noemt hen een bende, zelf noemen ze zich 'gewoon vriendinnen'. Soms komt er een vriendin bij, soms valt er eentje af. Die vriendinnen zijn meelopers, Jubisay is de leider, zeggen haar slachtoffers. Zelf ontkent ze dat. “Ik weet niet waarom iedereen bang voor me is.” Ze is in elk geval de oudste. De andere meisjes zijn 15 en 16.

Elly moest vreselijk huilen toen ze in de gevangenis zat, zegt Jubisay. Zegt die politieagent: 'Nu ben je niet stoer meer, hè? Je krijgt lekker levenslang.' Elly huilde niet omdat ze moest zitten, zegt ze. Ze huilde omdat ze bang was dat ze haar examen miste.

Jubisay moest ook huilen. Om haar examen, maar ook om haar moeder. “Ik was bang dat mijn stiefvader haar zou vermoorden.” Ze heeft steeds van die beelden van vroeger in haar hoofd. Dat hij haar moeder afranselde met de ijzeren staaf van een ventilator. Na zeventien jaar heeft haar moeder die man uit huis gezet. Nu dreigt hij haar echt te vermoorden. Jubisay: “Iets in hem maakt hem steeds boos.”

Elke dag kwam haar moeder naar het politiebureau, om eten te brengen. “Kook ik rijst, dan eet ze het niet. Ze houdt niet van Antilliaans eten. Het moet Hollands wezen. Dan bak ik patat.” Maar eten brengen, dat mocht niet van de politie zegt ze. “Ik sta daar, ze negeren me. Ze zèggen niks. Dan word ik kwaad. En dan ga ik schreeuwen.”

Na overleg met de jeugdofficier en de Raad voor de Kinderbescherming, werden de meisjes vrijgelaten. Voorlopig. Op 2 juli moeten ze bij de kinderrechter in Rotterdam komen.

Jubisay ging naar huis, en heeft haar examens net achter de rug. Nu slaapt ze elke dag tot drie uur uit, staat op en eet wat, en slaapt verder tot zeven uur. Dan staat ze echt op en kleedt zich aan. Dat gebeurt vol zorg - ze werd ooit tweede bij de miss-verkiezingen in het wijkcentrum. Haar haren borstelt ze met een speciaal soort vet en draait het in een rol. Het uitstekende kroeshaar plakt ze als een aureool bovenop haar hoofd.

En dan gaat ze de straat op. In het weekeinde naar discotheek Cargo, in het centrum. Door de week is er in Spijkenisse weinig te doen. Een beetje hangen bij de speeltuin of op het winkelcentrum. “Maar elke keer stuurt de politie ons weg. We mogen nergens komen.”

Spijkenisse is een 'woonwerkgemeente'. Twintig jaar geleden was het een dorp met ongeveer 35 duizend inwoners, bijna allemaal mensen die in de Rotterdamse haven werkten. Inmiddels wonen er twee keer zoveel mensen. Complete woonwijken, allemaal eengezinswoningen, zijn er aan het dorp gebouwd. Maar veel meer dan wonen kun je niet in Spijkenisse.

De moeder van Jubisay zegt het zo: “Ze maken van een dorp een stad. We krijgen net zoveel huizen als in Rotterdam, en net zoveel problemen. Kinderen vervelen zich kapot, er is hier niks te doen. Zo krijg je stadse problemen.”

Toen Jubisay en haar vriendinnen nog Young Yellow Killers waren, zijn ze naar de gemeente gegaan. “Om te vragen of we iets voor onszelf mochten. Een meisjesdisco of zo.”

Die disco is er nooit gekomen, en dus hangt Jubisay op straat. Tegen drieën gaat ze naar huis, haar moeder zit altijd te wachten. Samen gaan ze slapen, in haar moeders bed.

Desiree begon

Precies een maand na hun arrestatie, op donderdag 16 april grijpen de groene bandieten Marianne Bilkerdijk. Dat ging zo. Marianne en Desiree hebben al een tijdje ruzie. “Gewoon bekvechten.” Puta, zeggen ze tegen elkaar. Dat is Surinaams voor hoer. Ze zitten op dezelfde school, De Ring van Putten. Marianne in vier VWO, Desiree in twee Mavo.

Die donderdag staan Jubisay, Elly en Erika op het schoolplein, ze zijn vriendinnen van Desiree maar zitten alledrie op een andere school. “Desiree begon. Zij gaf me een klap tegen mijn rechterslaap”, verklaart Marianne aan de politie. Samantha uit vijf Havo sluit zich voor deze gelegenheid aan bij Jubisay en haar vriendinnen. Na het gevecht gaat Marianne naar haar les.

De conrector, die op veilige afstand had staan toekijken, haalt Marianne uit de klas. Hij heeft de politie gebeld en haar vader opgepiept. De politie geeft Marianne en Erika een preek, en gaat weg. Marianne kan niet weg, ze moet op haar vader wachten. “De politie stond nog op het schoolplein toen de meisjes terugkwamen”, zegt Marianne. Dit keer achtervolgen ze haar tot in de aula. Marianne slaat Elly's neusbel uit haar neus, en trekt aan haar haren. Jubisay pakt er een stoel bij. Als je naar de politie gaat, maken we je echt dood, zeggen ze bij het weggaan.

Woest is Lesley Bilkerdijk, de vader van Marianne. “Die meiden gaan elkaar te lijf, en wat doet de school? Niets. De fietsenstalling is bewaakt, maar mijn dochter is niet veilig in het schoolgebouw. De conrector durfde zelf niet in te grijpen. Vond-ie te gevaarlijk. Ze halen de politie erbij, mijn dochter wordt gecriminaliseerd. De politie kijkt niet wie de dader en wie het slachtoffer is. Die denken: 'Laten die zwarten mekaar maar afmaken.' Moet er soms eerst eentje doodbloeden?” Hij laat zijn dochter aangifte doen.

Het probleem is, zegt Bilkerdijk, dat de samenleving geen oor heeft voor mensen uit zijn categorie. Hij is Surinaams. “Mijn dochters zijn hier geboren, het zijn net Nederlanders, alleen, ze hebben een andere kleur. En mondige buitenlanders, dat accepteert de maatschappij nog niet.”

Leer en scoor, dat zegt hij tegen Marion (23) en Marianne (15). Haal geen vijfeneenhalf, want je bent al een twijfelgeval. “De samenleving verwacht dat mijn dochter caissière wordt. Daar proberen wij bovenuit te komen. Maar als ik wil dat ze arts of advocaat worden, werken ze me tegen.”

Dochter Marion: “Je kunt geen atheneum, zeiden de docenten. Niemand had vertrouwen in me.” Haar vader pakt het rapport van Marianne. Voor wiskunde had ze altijd vieren. Nu een zeven. “De leraar is een Surinamer.”

Marion: “Als je zo wordt tegengewerkt, denk je: 'Krijg de schijt maar'.” Zij is nu zelf lerares op een middelbare school. Maar ze maakt zich zorgen over haar zusje. “Toen ik op school zat, was er minder agressie. Bendes waren er nog niet.” En daarbij komt, Marion heeft een rustig karakter, Marianne houdt wel van sensatie. “Dan wordt de verleiding om mee te doen wel heel groot.”

De eigen bevolkingsgroep werkt ook tegen. Daar is een woord voor in het Surinaams: krabbedenki. Zitten er tien krabben in een ton, en eentje probeert er uit te klimmen, dan hangen er negen aan zijn poten om hem terug te trekken.

Marianne kent Elly, Erika en Jubisay van de straat. Vroeger ging ze wel met hen om. Elly en Erika zijn Surinaams, Jubisay is de enige karu, Antilliaan. De een spreekt Sranang, de ander Papiamento, maar ze verstaan elkaar prima. “Mijn vader wil dat ik gereserveerd doe. Ik moet ze negeren. Maar dan vinden ze je arrogant en gaan ze je zeker slaan. Ik moet undercover blijven. Als je me zo ziet, zou je niet zeggen dat ik VWO doe.”

Ga praten

Op vrijdagavond, de dag na de vechtpartij op school, staan Jubisay, Erika en Desiree voor de deur bij Marianne thuis. Volgens Jubisay kwamen ze hun excuses aanbieden, volgens Marianne kwamen ze om haar te slaan. Hoe dan ook, Mariannes vader was die avond thuis.

Bilkerdijk: “Ze stonden te schreeuwen voor de deur. Zo zijn ze. Ik zeg: jullie zijn brutaal, jullie hebben geen manieren.” Hij vraagt de meisjes binnen, en laat diezelfde avond nog hun ouders komen voor een gesprek. “De school of een andere instantie had die ouders moeten aanspreken. Dat is nooit gebeurd.”

“Jullie doen het verkeerd, heb ik tegen die ouders gezegd. Je moet niet passief blijven als je dochter in de boeien wordt geslagen. Maar die ouders weten zich geen raad. Ga praten, zeg ik, met de school, de politie en justitie.”

Die meisjes, zegt Bilkerdijk, zijn geen criminelen, het zijn slachtoffers. “Ze vechten, de politie sluit ze op. Zo breek je hun geest. Ze worden nog agressiever. Vorige maand zaten ze vast, nu tuigen ze m'n dochter af. Het verontrust me van hier tot de hemel. Stop je vijftienjarige meisjes in de gevangenis, dan ben ik benieuwd wat er over tien jaar rondloopt.”

Bilkerdijk liet de meisjes een excuusbrief schrijven. In ruil daarvoor trok hij zijn aanklacht bij de politie in. Elly schrijft: “Mensen die ons als criminelen zien moeten met de mond vol tanden staan als hun zien als wij positief zijn verandert.” “Het is niet nodig om iemand in de gevangenis te doen want dan wordt het alleen nog erger”, schrijft Desiree.

Ze zijn verbitterd, zegt Bilkerdijk. “Ze denken dat ze de politie aankunnen.” En ze zijn hard, bikkelhard. Na het gesprek en na de excuusbrief, gingen ze bij hem de deur uit. “U hoeft zich geen zorgen te maken meneer”, zeiden ze. “Dit is de eerste zwarte die we in elkaar hebben geslagen.”

“Vroeger wist ik niet eens wat het was, discriminatie”, zegt Jubisay. “Nu ben ik het zat als iemand 'zwarte' tegen me zegt.” Aan bijna elke vechtpartij gaan 'torys' vooraf, zeggen de meisjes zelf. Torys zijn roddels, achterklap. Zegt een blank meisje iets gemeens over een bruin meisje, dan rukken er een paar vriendinnen uit om haar te laten voelen dat ze liegt. Het zijn niet altijd dezelfde meisjes, en ook niet altijd evenveel. Je zou het een 'gelegenheidsbende' kunnen noemen.

Ze zijn jaloers, zegt Jubisays moeder. En als wij jaloers worden, zegt ze, moet je oppassen. Dat is de cultuur. Er is een anekdote over: Als een blanke ziet dat zijn buurman een nieuwe koe heeft, denkt hij: ik moet ook een koe hebben. Ziet een bruine dat de buurman een koe heeft, dan denkt hij: die koe moet dood.

Onzin, zegt Jubisay. “Die blanke meisjes zijn jaloers op ons. Ze doen als ons, ze lopen als ons, ze praten als ons. Ze willen een negerin zijn.”

Naäpen

Naar meisjesgeweld is niet veel onderzoek gedaan. Het aantal meisjes dat geweld gebruikt is, als je het vergelijkt met het aantal jongens, klein. In 1992 werden er 444 meisjes en 4.292 jongens verhoord voor geweldsdelicten door de politie. Antropoloog Carolien Bouw schrijft in 1995 in het Tijdschrift voor Criminologie: “Wie wil, kan bij meisjes een stijging van geweld constateren.”

Een van de redenen voor die toename is volgens haar 'de toenemende gelijkwaardigheid van meisjes'. Meisjes moeten zich net als jongens laten gelden op school en op de arbeidsmarkt. “Waarom dan ook niet in het criminele circuit?”

'Naäpen', noemt de moeder van Jubisay dat. “Ze imiteren de jongens. Het slaan, de bendes, alles.” Jubisay zegt het zelf: “Ik gedraag me als een jongen.”

Ook volgens een rapport uit 1995 van het Wetenschappelijk Onderzoeks- en Documentatiecentrum (WODC) van het ministerie van Justitie stijgt het aantal misdadige meisjes. Meisjesgeweld is niet harder dan dat van jongens, maar anders. Jongens gebruiken 'instrumenteel geweld', bij meisjes zijn het 'uit de hand gelopen vechtpartijen'. Jongens slaan zomaar iemand, omdat ze zijn scooter willen hebben bijvoorbeeld. Meisjes gaan gerichter te werk. Er is ruzie, het slachtoffer is bekend en bijna altijd een meisje, de tijd en plaats van de vechtpartij is meestal van tevoren gepland.

Het gaat de meisjes uit Spijkenisse niet om de buit, maar om het gevecht. In de dagvaarding van Jubisay staat wel dat ze snoep heeft gestolen. Maar dat is volgens haar een misverstand. Ze vroeg een onbekend kind gewoon om een snoepje. Ze kreeg de hele zak. “Ze rende zomaar weg.”

Geweld hoeft niet altijd een reden te hebben. Jubisay: “Ik loop op straat, en dan wil ik ineens iemand slaan.” Soms gaat ze naar het huis van haar stiefvader. “Dan wil ik hem op zijn muil gaan slaan. Maar als-ie voor me staat, durf ik niks meer. Dan krijg ik een kwade geest in me en moet ik iemand anders slaan.”

Ze wil het niet, maar ze weet zeker dat ze iemand dood zou kunnen maken. “Ik moet altijd janken als ik vecht. Er komt zo'n woede boven. Iemand moet me tegenhouden, maar niemand durft dat, want je blijft niet heel.”

Jubisays moeder begrijpt er niets van. “Ze kan niet eens vechten.” Lieve Jaja, zo noemt haar familie haar. Toen ze nog klein was, nam haar moeder haar mee naar de dokter. “Die zei: ze is vier van lichaam, maar niet van gedachten.” Ze voelt zich geen achttien, zegt Jubisay. Ze gaat altijd met jongere kinderen om. Haar vorige vriendje was dertien. Een Turkse jongen. “Antillianen maken meteen een kind bij je.”

Sinds Jubisay heeft vastgezeten, is haar moeder bang. “Ik zeg tegen haar: als mensen je willen slaan, moet je naar mama komen. Nu mag je niet vechten, mama lost het wel op.”

Een paar weken geleden werden Jubisay en haar vriendinnen in discotheek Cargo bedreigd door 'de Kruiskade-gang', een groep meisjes van een jaar of vijftien uit Rotterdam. “Mama kwam meteen. Met haar zussen, haar nichten en vriendinnen.” De politie was er ook, zegt Jubisays moeder. “Die deed een stapje opzij toen we die meisjes gingen slaan.”

Zelf gaat Jubisay nooit naar Rotterdam. “Dat durf ik niet.” De metro is eng. “Al die junks die je vast pakken. Ik weet niet hoe ik ga reageren.” De meisjes uit de stad zijn gevaarlijk. “Ze hebben messen en geweren.” Zij gebruikt nooit een wapen. “Dat durf ik niet.”

Stukje bewustwording

Vraag je de politie, de jeugdhulpverlener, of een rector naar meisjesgeweld in Spijkenisse, dan zeggen ze dat het wel meevalt. Om meteen daarna te zeggen dat sommige meisjes wel heel hard en agressief zijn.

Iedereen die ook maar iets met jeugd te maken heeft in Spijkenisse, probeert er wat aan te doen. De politie heeft een School Adoptie Plan. Agenten gaan naar groep zeven en acht van de basisscholen om te praten over pesten, bedreiging en geweld. “Om de sociale weerbaarheid van kinderen te vergroten.”

Voor de middelbare scholen is er een School Consultatie Team. Het team bestaat uit een sociaal verpleegkundige, een leerplichtambtenaar, iemand van de jeugdgezondheidszorg, van de school en van de GGD. Kinderen 'met problematisch gedrag', spijbelaars bijvoorbeeld, komen bij hen terecht voor begeleiding. Alleen: “Kinderen die spijbelen, spijbelen bij ons ook.” Het team ziet vooral de slachtoffers van geweld, niet de daders.

De Stuw, een organisatie voor jeugd- en jongerenwerk heeft make-up-cursussen. Piet Solleveld, 'manager inhoud' van de Stuw: “Je zet die meiden achter zo'n schilderdoos, ze giechelen wat, ze praten over jongens. En tussen de bedrijven door werk je aan een stukje bewustwording.” En wat ook goed werkt: een meisjesvoetbalteam. “Ze schoppen mekaar helemaal omver, maar daar mag het.”

Wil je jeugdcriminaliteit echt aanpakken, zeiden de lijsttrekkers in verkiezingstijd, dan moet je de ouders aanspreken. Hoe je dat doet, weet niemand. Je dochter wordt in verzekering gesteld, zei de politie tegen Jubisays moeder. De leraar serveren van Jubisays school moest haar uitleggen wat het was.

Adrie Tilburg is de advocaat van Jubisay. Hij heeft haar één keer gezien, toen ze werd opgepakt. Wat hem opviel, zegt hij, was de houding van de ouders. “Ze worden kwaad op justitie. Ze vinden dat hun dochters onheus worden bejegend.” Hij kan zich een andere houding voorstellen. “Dat je ze thuis op hun falie geeft. Je mag blij zijn als deze ouders op de eerste zitting verschijnen.” Jubisays moeder denkt nou juist dat het voor haar verboden is om mee te gaan naar de kinderrechter.

Bert Houben van het Leger des Heils is Jubisays reclasseringsbegeleider. Hij moet rapporteren over de gezinssituatie en een 'plan van aanpak' maken. Ze hebben elkaar nog nooit gezien. Eigenlijk had hij haar al vanaf maart moeten begeleiden, want toen werd haar voorlopige hechtenis geschorst. Maar, zegt Houben, de reclassering in Rotterdam is ontiegelijk overbelast.''

Wat nieuw is voor Houben, is dat Jubisay in 'een bende' zit. Haar jongere vriendinnen zijn bij de Raad voor de Kinderbescherming ondergebracht. Jubisay is meerderjarig, zij moet dus naar de reclassering. Erg jammer, vindt Houben. Als de meisjes samen waren gebleven, hadden ze mee kunnen doen aan het GAR-project. Dat is een nieuw project van het Leger des Heils, waarbij 'vriendenclubjes' gezamenlijk worden begeleid. “Dan kun je de boel tegen mekaar aanpakken.”

Jubisay maakt zich niet druk. Als ze haar diploma heeft, wil ze het liefst werken in een verzorgingstehuis. En als dat niet lukt kan ze altijd nog gaan zingen in de band van haar echte vader, zegt ze. Bang voor de kinderrechter is ze niet. En bang om naar de gevangenis te gaan ook niet. “Daar kan ik rustig nadenken. Heb ik tenminste even geen gezeur aan mijn hoofd.”

    • Rinskje Koelewijn