Holland Festival moet kwaliteit bieden

Holland Festival directeur Ivo van Hove wilde geen door smokings bevolkte gala-avonden. Het festival moest vooral een jonger en breder publiek trekken. Dat publiek kwam. Maar volgens Pieter Kottman moet het de directeur niets kunnen schelen wie op de voorstellingen afkomen. Hij moet zich bekommeren om kunst.

Vorig jaar verliet ik ten minste één keer uit ergernis en verveling voortijdig een voorstelling tijdens het Holland Festival. De opwinding die een evenement als dit teweeg hoort te brengen, wàs er, in negatieve zin. El Arte del Tango, van de Nederlandse choreograaf Wouter van Brave en geproduceerd door Het Holland Festival, Theater Carré en Het Nationale Ballet, was een slecht uitgevoerde derderangs nachtclubshow, in elkaar gezet door een vakantieganger die in de straten van Buenos Aires ogen tekort was gekomen. Desondanks was de voorstelling een groot publiek succes. Zoals bekend staat gebrek aan kwaliteit dat in het geheel niet in de weg.

El Arte was een incident dat weinig zei over het beleid van de toenmalige festivaldirecteur, Jan van Vlijmen. Daarop was genoeg aan te merken - te weinig avontuurlijk, eenzijdig, onevenwichtig - maar missers zijn natuurlijk all in the game. Wat een leuk idee lijkt, kan verkeerd uitpakken en heel veel meer valt er eigenlijk niet over te zeggen, behalve dan dat afgelasting geen taboe mag zijn.

De vijftigste editie, die het Holland Festival vorig jaar beleefde, was met negenendertig producties zowel een verjaars- als een afscheidsfeest. Van Vlijmen stapte op en de wereld werd lange tijd in het ongewisse gelaten over de naam van zijn opvolger.

Omdat de gelegenheid de dief maakt, was voor het Amsterdamse gemeenteraadslid Bart Robbers (D66) het moment aangebroken van 'een feestelijke begrafenis' in plaats van een door hem voorspelde 'zachte dood'. Het festival had zijn langste tijd gehad, de oorspronkelijke functie was verloren gegaan - 'bijzondere kunstproducties' tonen doen ook andere instellingen al volop en wel gedurende het hele culturele seizoen - er waren al te veel festivals en dan was er natuurlijk het geld. Om hoeveel het ook gaat, de laatste overweging is nooit te goedkoop om te berde te brengen.

Het plan sneefde (evenals de bedenker, meen ik) en dat is maar goed ook. Zeker na het ter ziele gaan van het Mickery-theater, tien jaar geleden, is er geen andere instelling die op grotere schaal buitenlandse producties naar Nederland kan halen, samenwerkingsverbanden kan smeden en met gezag initiatieven kan nemen.

Ten minste even belangrijk is dat het traditionele en onverbloemde streven van het Holland Festival altijd geweest is 'topkunst' te tonen, zowel in experimentele als in meer behoudende zin. 'Moeilijke', ontoegankelijke en ongewisse kunstuitingen passen bij de formule, evenals producties en makers die hun kwaliteit al lang en breed bewezen hebben. Op zijn best is het festival ijkpunt en inspiratiebron. Het kan sensationeel zijn maar evengoed elitair. Een dergelijk als het ware boven de markt opererend instituut is nooit overbodig.

Toch vond de nieuwe festivalleider, de theatermaker Ivo van Hove, het nodig de koers te verleggen: de grenzen tussen 'hoge' en 'lage' cultuur moesten verdwijnen en het als 'chic' ervaren festival moest een 'jong en breder' publiek gaan aanspreken. Met misprijzen bracht Van Hove de door smokings bevolkte gala-avonden in herinnering en even enthousiast stelde hij popconcerten en een tapdancevoorstelling in het vooruitzicht. Het is mooi dat een festival van het ene op het andere jaar van kleur en geur kan veranderen.

Maar moeten we er blij mee zijn? Dat Van Hove zowel 'hoge' als 'lage' cultuur wil programmeren is minder nieuw dan hij besefte, met name festivaldirecteur Frans de Ruiter legde zich daar in het begin van de jaren tachtig op toe. Rockmuzikant Glenn Branca deed het Concertgebouw schudden en ik kan me geen discussie herinneren over de vraag of deze 'lage cultuur'-representant geboekt had mogen worden. Wel liepen de meningen over de kwaliteiten van Branca's kunst uiteen.

Zoals het hoort, zou ik zeggen. Onderscheid tussen soorten van kunst is helemaal niet aan de orde, het gaat om de kwaliteit. Wat dat betreft is de eerste editie van Van Hove helemaal niet slecht geweest. Over de voorstellingen van de Woostergroup, van het Wiener Burgtheater en de Volksbühne kan men van mening verschillen, ze zijn wel festival-fähig. Net als het intrigerende Giulio Cesare, het beeldschone Rotjoch en het vertederende poppentheater Il Ritorno d'Ulisse. Dat Van Hove ook Romeo en Julia, een voorstelling van eigen hand, opnam, kan men minder chic noemen, misstaan deed de productie niet. En omdat het om de kwaliteit gaat, is het helemaal niet erg dat Van Hoves festival met negentien dagen minder lang duurde dan de gebruikelijke dertig.

Op Giulio Cesare na misschien, was het aanbod van dit Holland Festival niet verontrustend. Verontrustend was deze editie helaas alleen in het verkeerde opzicht. Van Hoves programmering wordt niet meer uitsluitend bepaald door de kunst, maar ook door zijn verlangen een bepaald, om precies te zijn jong, publiek te trekken. Vandaar dus de programmering van een voorstelling van het even jonge als onbelangwekkende groepje 't Barre Land en van Savion Glover in Concert, een voorstelling van een streetkid uit Amerika dat als tapdancer naam gemaakt heeft.

Net als bij El Arte del Tango vorig jaar ben ik in de pauze weggelopen, maar tussen toen en deze keer bestaat een groot verschil. Deze keer ging het niet om een incident, maar om de consequentie van een koers. Het nieuwe, jonge en bredere publiek zát er, bij deze mede door Joop van den Ende geproduceerde voorstelling, in groten getale en het succes was er ook - dus in die zin was de missie geslaagd.

Maar de voorstelling zelf was vormloos en on-kunstzinnig, een loos en geestdodend vertoon van snelle voeten, geroffel van hakken en zolen zonder bedding of bedoeling, virtuoos weliswaar maar even interessant als een goocheltruc, een slangenmeisje, een oefening op de evenwichtsbalk, een uurtje aerobic.

Oninteressant dus.

Bij de première van 't Barre Land was geen smoking te bekennen, maar wat schieten we daar mee op. Helemaal niets. Als de toets van het artistieke niet meer alleen van belang is voor het Holland Festival - en daar lijkt het op - dan is dat te betreuren, hoeveel grungers, funkers en punkers ook in de zaal zitten. Iedere kunstinstelling in ons land mag kunsteducatie en allochtonenbeleid tot haar taken rekenen, en publiekswerving als een apart doel zien, voor het Holland Festival geldt dat nu juist niet.

Het moet Van Hove geen klap kunnen schelen wie op zijn festival afkomen. Hij moet zich bekommeren om kunst en om niets anders.

    • Pieter Kottman