Hoge Raad bevestigt vonnis in zaak-Exota

DEN HAAG, 27 JUNI. De VARA hoeft slechts de helft van de geleden schade door een tv-uitzending uit 1971 over een ontploffend Exota-frisdrankflesje te betalen. Het bedrag komt neer op een vergoeding plus rente van 7,7 miljoen gulden.

De Hoge Raad heeft de eis van het Nederlands Trustkantoor voor Belegging en Financiering, waarvan de vorig jaar overleden Amsterdamse zakenman Leutscher directeur was, afgewezen omdat de vordering van het Trustkantoor iedere grond mist. Vorig jaar bepaalde de rechtbank in Breda dat de miljoenen niet aan het Trustkantoor toekomen, maar aan zes leden van de familie Van Tuijn die de limonadefabriek in bezit hadden toen de ombudsman de veiligheid van Exota-flesjes aan de kaak stelde.

Daarmee komt na 27 jaar een einde aan de Exota-affaire. In een tv-uitzending op 18 januari 1971 liet de toenmalige ombudsman en latere voorzitter van de VARA, Marcel van Dam, zien hoe gemakkelijk flesjes met gazeuse konden ontploffen. In het filmpje werd een kogel door een veel dunner flesje gejaagd. De beelden waren in scene gezet.

De combinatie van de begeleidende tekst van Van Dam en de filmopnames waren volgens een uitspraak van het Amsterdamse gerechtshof in 1996 te suggestief. Na de uitzending werd er nauwelijks nog Exota verkocht en de limonadefabriek Van Tuijn uit Dongen hing als gevolg van de zaak een faillissement boven het hoofd.

Op dat moment sprong de Amsterdamse huisjesmelker en zakenman Jakob Koos Leutscher in. Hij nam de aandelen van de limonadefabriek over voor één gulden. De fabriek werd doorverkocht, maar de claim tegen de VARA bleef in handen van Leutscher en werd jarenlang betwist door familieleden van de oorspronkelijke eigenaren van Exota.