Het Down-kind blijft apart

HALVERWEGE DE JAREN tachtig begonnen enkele ouders van kinderen met Downs syndroom, voorheen mongooltjes genoemd, een taaie strijd om hun kroost op de gewone basisschool geplaatst te krijgen. Dat getuigde van lef, want juist in die tijd was het usance om ieder kind dat niet goed kon meekomen te verwijzen naar het speciaal onderwijs. Deze ouders waren doorgaans hoog opgeleid, ze wisten zich prima te organiseren en lieten zich niet met een kluitje in het riet sturen. Ze zorgden ervoor dat het ministerie van Onderwijs extra geld beschikbaar stelde aan basisscholen die een kind met Downs syndroom in hun gelederen opnamen, ze ontwikkelden speciale lesmethoden, vormden een netwerk van contactscholen en lieten hun stem horen in de media. Ze benadrukten daarbij vooral dat hun kinderen gelukkiger waren op de gewone basisschool, meer sociale contacten hadden in de buurt en bovendien meer leerden dan in het speciaal onderwijs omdat mongooltjes nu eenmaal veel opsteken van voorbeeldgedrag. Om hun argumenten kracht bij te zetten zorgden deze welgespraakte ouders er ook voor dat er wetenschappelijk onderzoek verricht zou worden naar het reilen en zeilen van Down syndroom kinderen op de basisschool. Dat onderzoek ging in 1993 van start en afgelopen week promoveerde orthopedagoge Annette Scheepstra aan de Rijksuniversiteit Groningen op het proefschrift 'Leerlingen met Downs syndroom in de basisschool'.

Omdat er nog weinig bekend was over de positie van deze leerlingen in het basisonderwijs heeft Scheepstra gekozen voor een beschrijvend onderzoek op basis van vragen zoals: om hoeveel kinderen gaat het eigenlijk, hoe verloopt de plaatsing van deze leerlingen op de basisschool, wat zijn de redenen van voortijdig vertrek en in hoeverre integreren ze in de schoolpopulatie. De kwestie wat kinderen met Downs syndroom nu eigenlijk leren in het gewone onderwijs en of dat meer is dan in het speciaal onderwijs bleef buiten beschouwing. “Het gaat veel ouders immers niet in de eerste plaats om de vraag welke school het beste lesaanbod heeft”, zegt Scheepstra, “maar bijvoorbeeld of hun kind erbij kan horen in de buurt, of hun kind kan leren van andere kinderen, of andere kinderen kunnen leren van hun kind, en hoe de opvang van hun kind in het reguliere onderwijs zo goed mogelijk kan plaatsvinden.” Het is Scheepstra gelukt om dicht bij deze vragen te blijven en een toegankelijk proefschrift te schrijven, waar ouders van een kind met Downs syndroom veel aan kunnen hebben als ze overwegen hun kind naar een gewone basisschool te sturen.

Haar algemene conclusie luidt dat het inderdaad mogelijk is om kinderen met Downs syndroom op te vangen in het gewone onderwijs. Geen verrassende conclusie gezien de cijfers die ze presenteert. Tussen de schooljaren '93/'94 en '96/'97 steeg het aantal Down syndroom leerlingen op gewone scholen van 221 naar 398. Het percentage kinderen in de kleuterklassen van de basisschool - groep een en twee - nam het sterkst toe: van alle (geschatte) kinderen met Downs syndroom ging in '93/'94 zo'n 24 procent naar de basisschool, in het schooljaar '96/'97 was hun aandeel tot 45 procent gestegen. Tegelijkertijd concludeert Scheepstra dat na de tweede groep de grootste uittocht plaatsvindt. “Veel ouders kiezen er blijkbaar ervoor hun kind in ieder geval de kleutertijd tussen gewone leeftijdgenootjes te laten doorbrengen om daarna veelal in samenspraak met de school naar het speciaal onderwijs uit te wijken.” Het is voor het eerst dat deze cijfers op een rij zijn gezet en dat was volgens Scheepstra geen eenvoudige klus omdat ze nergens worden bijgehouden.

Veel verrassender zijn de conclusies van Scheepstra als het gaat om de sociale integratie van kinderen met Downs syndroom in de gewone schoolklas. Uit haar observaties en uit de afgenomen vragenlijsten blijkt namelijk dat deze minder rooskleurig verloopt als veel leerkrachten en ouders denken. Meesters en juffen beoordelen de sociale positie van deze leerlingen vaker als 'gemiddeld' terwijl ze volgens Scheepstra's observaties veelal in de categorie 'genegeerd' vallen. Daarnaast valt op dat deze kinderen relatief vaak bemoederd worden door zorgzame klasgenootjes en dat ze meer contact hebben met de leerkracht dan de gemiddelde leerling, ook buiten de lessen om. “Dat leerkrachten met een roze bril naar deze kinderen kijken valt vooral te verklaren uit de inspanningen die ze zich getroosten”, concludeert Scheepstra. “Ze zijn aanvankelijk afwachtend maar worden steeds enthousiaster als ze zien dat er toch van alles met zo'n leerling te bereiken valt. Bezwaar hiervan is dat ze minder oog hebben voor de eenzame positie waarin sommige van deze leerlingen terechtkomen.” Ze nemen een bijzondere positie in binnen de groep, zo blijkt uit het onderzoek van Scheepstra. “Ze zijn anders. Een situatie die versterkt wordt doordat kinderen met Downs syndroom regelmatig uit de klas worden gehaald om apart les te krijgen. Ze hebben altijd veel volwassenen om zich heen. Dat maakt ze in de ogen van klasgenootjes nog specialer.”

Ook het beeld dat ouders hebben is lichtelijk gekleurd. Ze denken dat hun kind vaker contact heeft met leeftijdgenootjes dan uit de observaties van Scheepstra blijkt. Dat ouders over het algemeen erg tevreden zijn over de sociale ontwikkeling van hun kind, heeft volgens de promovenda te maken met het feit dat de basisschool een zeer bewuste keus is waar ze de nodige energie in hebben gestoken.

Uit het onderzoek is gebleken dat het niveau van leerlingen met Downs syndroom op de basisschool zeer grote verschillen laat zien. “Dat varieert van kinderen die redelijk goed mee kunnen komen tot kinderen die nauwelijks kunnen praten en onzindelijk zijn. Maar je ziet ook enorme verschillen in de aanpak van scholen. Op de ene school functioneert een kind met een heel laag niveau prima, terwijl op een andere school een kind van veel hoger niveau de mist in gaat.” Dat bracht Scheepstra op het idee om te onderzoeken om welke redenen kinderen met Downs syndroom het basisonderwijs tussentijds verlaten. De betrokken ouders in de begeleidingcommissie waren daar aanvankelijk niet blij mee, ze waren bang dat hun pionierswerk onderuit gehaald zou worden. Maar Scheepstra zette door en vond globaal drie redenen: de school kon onvoldoende steun bieden aan de leerling, het kind raakte te geïsoleerd en leerkrachten vonden dat ze te weinig vorderingen maakten.

Ook al had hun kind tussentijds het basisonderwijs verlaten, toch waren de ouders positief over de ervaring. “Het zit soms in kleine dingen”, aldus Scheepstra, “bijvoorbeeld dat hun kind bekend is in de buurt en dat het door andere kinderen wordt gegroet.”

Als er dan toch gekozen wordt voor kinderen met Downs syndroom in het gewone basisonderwijs, dan kan er nog wel het een en ander verbeterd worden, vindt de onderzoekster. De leerkracht moet meer oog voor krijgen voor de geïsoleerde positie van een leerling met Downs syndroom in de klas. Ook de leervorderingen zouden meer volgens plan moeten worden bijgehouden om al te grote teleurstellingen te voorkomen. Voor de toekomst voorziet Scheepstra dat als gevolg van nieuwe regels beduidend meer kinderen met verschillende handicaps het basisonderwijs instromen. Scholen mogen dan niet zo maar 'nee' meer verkopen aan ouders. “Nu zijn het nog de meest gemotiveerde scholen die een gehandicapt kind opnemen, straks moeten alle scholen dat doen.” Het klinkt als een waarschuwing.

Scheepstra's proefschrift is te bestellen bij Stichting Kinderstudies Groningen 050 - 36 36 591, prijs: ƒ 25,- (excl. verzendkosten)

    • Michaja Langelaan