Europa's eerste bankpresident Wim Duisenberg in zijn kantoor te Frankfurt.

Foto Vincent Mentzel

Geloofwaardigheid krijg je niet in een dag

Hij is benoemd voor acht jaar en dus zal Wim Duisenberg zelf besluiten of hij zijn termijn uitzit. De eerste president van de Europese Centrale Bank streeft naar een bestendig monetair beleid, los van de waan van de dag. Voor het eerst sinds zijn benoeming spreekt hij over zijn nieuwe functie. ‘We zullen zo open en transparant mogelijk zijn.’

Over zes maanden is Wim Duisenberg één van de invloedrijkste mannen van Europa. De president van de Europese Centrale Bank (ECB) in Frankfurt is vanaf 1 januari 1999 verantwoordelijk voor de euro. Dat wil zeggen: voor de rente en de stabiliteit van de Europese munt. Als nuchtere Fries relativeert hij die invloed: monetair beleid is niet het enige dat telt voor een gezonde economie.

Vooralsnog is hij trouwens vooral bezig praktische klussen te regelen. De ECB, die op 1 juni officieel de plaats heeft ingenomen van het Europees Monetair Instituut, moet nieuwe visitekaartjes bestellen, benoemingen van de staf regelen, arbeidscontracten afsluiten en dienstauto’s uitzoeken voor de directie. Een paar keer verzucht Duisenberg dat het keihard werken is.

De politieke ruzie over zijn benoeming op de Europese Raad van 2 mei in Brussel ligt nog vers in het geheugen. President Chirac, die eind vorig jaar de centrale bankier Jean-Claude Trichet als Franse kandidaat naar voren had geschoven, wilde van geen wijken weten. Door de patstelling dreigde de hele top zelfs te mislukken.

Zorgvuldig formulerend doet Duisenberg, voor het eerst in het openbaar, uitspraken over de gebeurtenissen op die gedenkwaardige zaterdag in Brussel.

“Het proces van de benoeming van de president van de ECB, en daarmee de oprichting van de Europese Centrale Bank, had een feest moeten worden. Maar het is ontaard in een vertoning die een dag lang duurde. Uiteindelijk heb ik een verklaring voorgelezen, waarin drie dingen stonden. Ten eerste: ‘dank je wel voor de benoeming’; ten tweede: ‘ik garandeer dat ik ten minste zal aanblijven tot nadat de nationale geldeenheden hun status van wettig betaalmiddel hebben verloren’. Dat betekent tot ten minste 1 juli 2002. En ten derde: ‘ik garandeer niet dat ik de volle acht jaar zal uitzitten’. Dat is uiteindelijk de afspraak geworden. Er is geen sprake van een split term, of dat het vier jaar-vier jaar wordt.”

Toch heeft president Chirac vorige week zondag nog voor de BBC-tv beweerd dat u hem dat persoonlijk hebt toegezegd.

“Ja.”

Is dat ook zo?

“Nee.”

Wat heeft u dan tegen Chirac gezegd?

“Precies wat ik u net zei. In Brussel heb ik één gesprek met hem gevoerd op uitnodiging en onder voorzitterschap van de Britse premier Tony Blair. Drie dagen daarna verscheen Blair in het House of Commons. Daar werd hem de vraag gesteld: ‘If mr. Duisenberg chooses to serve the full eight year term. Can he do that?’ Toen heeft Blair geantwoord: ‘Yes’.”

Hoe is uw verhouding met Trichet?

“Goed.”

Bekroop u tijdens de vergadering in Brussel niet het gevoel: als het zo moet, dan hoeft het van mij niet meer?

“Wel eens. Maar dat is een emotionele reactie. Ik nam niet aan de top deel, mij was gevraagd om in de buurt te zijn voor het geval dat ik nodig mocht zijn. Ik was met mijn vrouw in de auto op weg naar een restaurant in Brussel om te lunchen en om kwart over één ging de telefoon met het verzoek of ik bij de prime minister wilde komen.”

Het moet een vernederend moment zijn geweest om ‘s nachts ten overstaan van de regeringsleiders die verklaring voor te lezen.

“Nee, want die verklaring hield in dat ik niet had toegegeven aan een beperking van de termijn. Mijn benoeming was dus niet in strijd met het verdrag.”

Voelde u zich niet gedwongen tot zo’n verklaring met het pistool op de borst?

“Ik werd, terwijl ik object van het onderhandelingsproces was, tegen wil en dank subject. Dat wilde ik helemaal niet, dat had ik ook herhaaldelijk gezegd, tegen Kohl, tegen Blair, tegen Kok.

“Maar het ging om een belangrijke zaak, de oprichting van de Europese Centrale Bank. Dat was de essentie en in dat kader heb ik meegewerkt. Ik zie dat totaal niet als een vernedering. Uiteindelijk is de benoeming gebeurd zoals het verdrag voorschrijft, voor een termijn van acht jaar. En ik kan nog steeds besluiten om het voor de volle acht jaar te blijven doen. Dat is uitsluitend en alleen aan mij. Er liggen geen afspraken dat ik eerder zal stoppen.”

In een interview met het maandblad Opzij zei u in november 1996 dat u niet voor de volle termijn wilde blijven. Was dat, achteraf bezien, niet heel onverstandig?

“Het is altijd mijn opvatting geweest. Of dat nu verstandig was of niet.”

Wat zou een overweging zijn om er mee te stoppen?

“Nou, een beetje meer vrije tijd. Het moet ooit een beetje rustiger worden dan het nu is. Ik word volgende maand 63. 63 plus 8 is 71. Ik weet wel, Greenspan (de voorzitter van het Amerikaanse stelsel van centrale banken, red.) is 74 jaar. Maar goed, we zien wel.”

U gaat vaak naar Nederland, is dat niet slopend?

“Ik ervaar dat heen en weer reizen niet als slopend. Het reizen wordt mij natuurlijk gemakkelijk gemaakt. Ik zit drieëneenhalf uur in de auto naar Amsterdam. Het is 450 kilometer. Eén keer hebben we het in drie uur gedaan.”

Rijdt er beveiliging mee?

“Nee.”

U moet straks voor elf landen één monetair beleid voeren, terwijl de conjuncturele ontwikkeling in het euro-gebied sterk uiteen loopt. Hoe doe je dat?

“We gaan het gewoon doen. Het convergentieproces dat al jaren aan de gang is, zal de economische ontwikkelingen in Europa op den duur naar elkaar doen toegroeien. Dat is op dit moment nog niet zo.”

Nederland, en ook Ierland en Finland lopen conjunctureel voor op de grote landen in de EMU. Portugal en Spanje staan op het punt harder te gaan dan Frankrijk, Duitsland en Italië. Kan één rentebeleid dan van toepassing zijn?

“Wat Nederland betreft heeft De Nederlandsche Bank de informateurs opgeroepen om te stoppen met praten over lastenverlichting omdat de conjuncturele situatie juist vraagt om een lastenverzwaring. Dit is een signaal dat er een grotere nadruk komt te liggen bij het begrotingsbeleid van de elf euro-landen om de verschillen in conjunctuur te lijf te kunnen gaan.”

Gaat u vanaf volgend jaar als ECB-president dit soort aanbevelingen aan individuele landen van de EMU doen?

“Ja. Ik denk dat dat ook zal moeten.”

Bent u het nu dan al eens met het signaal dat De Nederlandsche Bank aan de informateurs heeft gegeven?

“Ik ben het daar volstrekt mee eens.”

In de Verenigde Staten staat de centrale bank voor een dilemma: de prijzen van goederen en diensten ontwikkelen zich bescheiden en geven weinig reden voor monetaire verkrapping. Tegelijkertijd rijzen de prijzen van activa, zoals aandelen en onroerend goed, de pan uit. Moeten centrale bankiers hiermee rekening houden?

“Ja, je moet kijken naar de prijsontwikkeling van activa. Dat gebeurt natuurlijk in werkelijkheid ook. Ik herinner me Greenspans uitspraak over irrational exuberance (Greenspan karakteriseerde anderhalf jaar geleden de stemming op de effectenbeurzen als ‘irrationele uitbundigheid’, red.). Geeft wat er nu in Europa gebeurt in de aandelen- en onroerend goedmarkten aanleiding tot zorg en dus tot maatregelen? Nog niet. Maar het is duidelijk dat je er naar moet kijken. Welk gewicht je er vervolgens aan geeft, is een tweede.”

Als u naar de hoogte van de aandelenkoersen kijkt in Europa, zou u daar dan dezelfde kwalificatie aan geven als Greenspan deed in de Verenigde Staten?

“Nee.”

Wat moeten we weglaten, ‘irrational’ of ‘exuberance’?

“Exuberance. Irrational is het altijd.”

Bent u aanhanger van de opvatting dat er een tijdperk is aangebroken van hoge economische groei gecombineerd met een duurzaam lage inflatie?

“Ik hoop dat dat mogelijk is. In Nederland heeft de euforie die daar heerst, in wezen niet geleid tot extra inflatoire druk. Onderhuids is die inflatiedruk wel aanwezig, maar het blijft allemaal heel gematigd.”

Greenspan heeft vorig jaar tijdens zijn Humphrey-Hawkinslezing het vermoeden uitgesproken dat de VS een eenmalige productiviteitssprong doormaken die er voor heeft gezorgd dat de inflatie bij zo’n uitbundige economische groei toch laag blijft. Ziet u dat ook voor Europa gebeuren?

“Dat zie ik in Europa niet zozeer. Wat ik wel waarneem is een convergentie naar een inflatieniveau dat zonder meer aanvaardbaar mag worden genoemd. Dit gebeurt in verschillende conjuncturele omstandigheden: Duitsland en Frankrijk zijn bezig op te krabbelen uit het dal, terwijl Nederland, Ierland en Denemarken al twee jaar bijna op hun top zitten en daar de capaciteitsgrenzen zijn bereikt of worden benaderd. Als in Duitsland een investeringsgolf op gang komt, zou daar een productiviteitssprong uit kunnen voortkomen. Maar zo ver is het nog niet.”

Hoe verklaart u dan dat de inflatie in Europa convergeert terwijl de landen zich in uiteenlopende conjuncturele fasen bevinden?

“We proberen daarvoor een verklaring te vinden. Het enige dat ik kan bedenken is de verscherpte internationale concurrentie, die het gevolg is van de liberalisering van alle markten. Dat geldt tussen Europa en Azië, maar ook binnen Europa. De liberalisering van het goederen-, diensten- en kapitaalverkeer legt een natuurlijke druk op de prijsontwikkeling. Het intrigeert me ook of de relaties die vroeger bestonden tussen wisselkoersfluctuaties en de binnenlandse prijsontwikkeling tegenwoordig nog wel zo doorwerken.”

Veel analisten verwachten dat de ECB vanaf 1 januari de rente extra zal opschroeven om zijn geloofwaardigheid als inflatiebestrijder te onderstrepen.

“Het voeren van een extra strak monetair beleid om ons geloofwaardiger te maken, acht ik onzin. Die geloofwaardigheid moet verworven worden. Die krijg je niet in één dag.”

Hoe verdien je geloofwaardigheid?

“Door een bestendig monetair beleid te voeren. Dus geen irrationele schokken veroorzaken. En door dat beleid zo uitvoerig mogelijk uit te leggen.”

Eerder veel kleine rentestapjes dan een paar grote?

“Nee, zo weinig mogelijk stapjes. Een beleid dat niet is beïnvloed door de waan van de dag, maar zich richt op de middellange termijn.”

Hoe gaat u dat beleid uitleggen? Gaat u zoveel mogelijk de boer op?

“Niet alleen ik, natuurlijk, maar ook de vijf andere bestuursleden en de elf nationale bankpresidenten. Dat zijn bij elkaar zeventien mensen. Iedere beslissing die we nemen zullen we zo veel mogelijk toelichten, uitleggen, verdedigen. Ik heb al toegezegd dat ik ten minste vier keer per jaar naar het Europese Parlement zal gaan. We zullen interviews geven. We zullen zo open en transparant mogelijk zijn. Voortdurend uitleggen waar we mee bezig zijn, wat we doen en waarom we het doen.”

Waarom bent u tegen de publicatie van de notulen van de vergaderingen van het bestuur van de ECB, zoals dat in de Verenigde Staten sinds jaar en dag wel gebeurt?

“Omdat die notulen de individuele posities van de leden van het gezelschap weergeven. Dat kan het hen moeilijk maken om van mening te veranderen. Bovendien creëert het bekend worden van het stemgedrag marktverwachtingen over de houding van individuele bestuursleden en dat kan tot speculaties leiden, zelfs tot self fulfilling prophecies.

“Als het stemgedrag bekend is, kunnen de centrale bankiers bovendien in hun eigen land ter verantwoording worden geroepen. Aan de president van De Nederlandsche Bank kan bijvoorbeeld gevraagd worden: waarom heb jij je zo opgesteld? Is dat wel in het Nederlandse belang? Dan moet zijn antwoord zijn: het Nederlandse belang zal me een zorg zijn, want ik heb een Europees belang.”

Een belangrijk deel van Azië wordt geteisterd door een zware financiële crisis. De VS en de EU kunnen hiervan grote gevolgen ondervinden. Hoe schat u de ontwikkelingen in Azië in?

“Als het blijft zoals het nu is, dan zijn de gevolgen overzienbaar en niet zo ernstig. Maar je weet niet hoe het doorgaat. Het belangrijkste is de invloed die de gedaalde Japanse yen op de concurrentiepositie van andere landen in de regio zal hebben. En dan praat ik met name over China. Het is van het grootste belang om dat domino-effect te helpen stoppen.”

Welke rol zal de ECB daarbij spelen?

“Tegen de tijd dat de ECB operationeel is, hoop ik dat de crisis in Azië voorbij is. Maar als dat niet het geval is - en dan praat ik volstrekt hypothetisch - zal de ECB een rol moeten spelen die vergelijkbaar is met de rol die de Amerikanen nu spelen in hun pogingen om het proces te stoppen. Als het probleem steeds grotere cirkels trekt, ben ik er met name beducht voor dat dit onvermijdelijk de neiging in Europa en de VS oproept om hun markten af te schermen van die goedkope landen.”

Welke mogelijkheden heeft de ECB?

“Je kunt in ieder geval een grote mond opzetten en proberen regeringen te beïnvloeden. Zowel hier in Europa als in het Verre Oosten. Ingrijpen door er geld naar toe te dragen, haalt niet zoveel uit. Daar zie ik niets in.”

De Amerikaanse centrale bank, de Federal Reserve, draagt met zijn rentebeleid een grotere verantwoordelijkheid dan alleen voor de Verenigde Staten zelf. Een renteverhoging in de VS zou de crisis in Azië kunnen verergeren. Zal de ECB dit soort overwegingen ook laten meewegen in zijn monetaire beleid?

“Gegeven de mondiale betekenis van het Europese Stelsel van Centrale Banken zullen dit soort overwegingen wel degelijk moeten worden meegenomen.”

Wat wordt de rol van de ECB-president in internationale fora?

“Hij zal de rol hebben van dé president van de centrale bank van Europa. Dat is op dit moment overigens nog een schuifproces. Drie centrale bankiers van de euro-landen, Frankrijk, Duitsland en Italië, zijn bijvoorbeeld vertegenwoordigd bij de G-7 (de groep van machtigste industrielanden). Maar in wezen vertegenwoordigen zij straks niet meer het monetaire beleid van hun land.”

Komt er op den duur een kleinere groep dan de G-7?

“Daar durf ik nog geen ja of nee op te zeggen, maar die beweging is wel aan de gang. Er is voor Europa straks maar één monetaire autoriteit. Als het G-7-overleg over monetaire zaken gaat, waarbij centrale banken betrokken zijn, is er maar één spokesman en niet langer drie of vier. Hoe dat institutioneel zal uitkristalliseren, daarover wordt overlegd.”

Wordt de president van de ECB nu ook al geïnformeerd over belangrijke internationale monetaire acties, bijvoorbeeld de recente Amerikaanse steunaankopen van de yen?

“Wij worden voortdurend geïnformeerd door de Federal Reserve. We zijn op de hoogte van wat er gebeurt en we weten ook wat de plannen zijn.”

En?

“Niks en.”

In Amerika heeft Greenspan met minister van Financiën Rubin te maken. In euro-land hebben de ministers van Financiën zich verenigd in iets wat de ‘euro-elfraad’ genoemd wordt. Wordt dat uw politieke gesprekspartner?

“Dat zou kunnen, de euro-11 is een gegeven en zal een gesprekspartner zijn voor de ECB. Maar ik heb ook begrip voor de geluiden uit Duitsland en Nederland dat er al een forum bestaat, namelijk de Ecofin (de raad van ministers van Financiën) waarin alle 15 EU-landen zitten. Anderzijds hebben de euro-11 natuurlijk belangen die de vier niet-deelnemers niet hebben, bijvoorbeeld de wisselkoers.

“Het wisselkoersbeleid is de competentie van regeringen en niet van de centrale bank. De elf euro-landen hebben één wisselkoers waarvoor ze verantwoordelijk zijn, al zal die verantwoordelijkheid zich voornamelijk uiten door zich er niet mee te bemoeien. In uitzonderlijke omstandigheden, bijvoorbeeld als de wisselkoers tussen euro en dollar langdurig zou afwijken van wat wordt gezien als in overeenstemming met het fundamentele evenwicht, dan is het voorstelbaar dat de euro-11 tot afspraken wil komen met zowel de Verenigde Staten als Japan.

“Het is denkbaar dat er op lange termijn weer zoiets komt als de Louvre- en Plaza-akkoorden (akkoorden waarin de koers van de dollar in respectievelijk 1985 en 1987 werd gestabiliseerd). Met één verschil: er zal ditmaal een extra gesprekspartner zijn, de Europese Centrale Bank.”

Wanneer denkt u dat de landen die geen deel uitmaken van de EMU, zullen toetreden?

“Mijn verwachting is dat als het Verenigd Koninkrijk toetreedt, Zweden ook zal toetreden, en dat Denemarken dit al eerder zal kunnen doen.”

Op de euro-bankbiljetten die in 2002 de nationale bankbiljetten vervangen, zal uw handtekening staan. Heeft u al geoefend?

“Ik moest daarvoor een grote handtekening zetten op een speciaal papier met een speciale pen. Dat heb ik gedaan in Amsterdam, waar ze zo’n pen naartoe hadden gestuurd. De vellen met mijn handtekening heb ik teruggestuurd, maar ze bleken niet goed te zijn. Daarop hebben we besloten dat we mijn handtekening zullen gebruiken die staat op het biljet van 50 gulden in Nederland. De clichés daarvan lagen nog bij de drukkerij van Joh. Enschedé.”

Wat ging er mis?

“De pen deugde niet.”

    • Maarten Schinkel
    • Roel Janssen