Een eigen plek

Wat hebben een universitair docent, tijdschriftredacteur, advocaat, belastingadviseur, fractiemedewerker, politievoorlichter, huisarts, computerprogrammeur, dominee en bedrijfsdirecteur met elkaar gemeen? Zij, en met hen vele andere beroepsbeoefenaren en functionarissen, beschikken over een eigen werkplek. We vinden dat vanzelfsprekend. Wie met zijn of haar hoofd moet werken, heeft de gelegenheid nodig zich van tijd tot tijd in gedachten en geconcentreerd terug te trekken. Voor sommigen heeft die plek slechts de bescheiden afmeting van een eigen bureau in een met enkele anderen gedeelde ruimte, sommigen hebben een eigen kamer, waarvan de grootte afhankelijk is van hun status.

Bovendien wordt algemeen aangenomen dat mensen prettiger en gemotiveerder werken als zij hun arbeidsomgeving iets eigens kunnen geven door smaakelementen toe te voegen. In eigentijdse termen: er het stempel van hun identiteit op kunnen drukken. In een welvarend land als het onze kunnen we ons nu eenmaal de luxe van een dergelijke behoefte permitteren, inclusief de bevrediging ervan. Mevrouw de minister kiest bij haar aantreden kunstwerken uit de rijkskelders en de nieuwe rector magnificus wil de blauwe vloerbedekking vervangen zien door rode en ook graag een ander zitje. De vrachtwagenchauffeur richt zijn cabine in als een knus, erotisch nestje en de secretaresse koestert de plantjes op haar bureau. Zelfs in menig bureaukoffertje op wieltjes van flexibel geachte werknemers zit het eigen digitale klokje of een ingelijste dierbare foto om op de werktafel-van-de-dag te zetten. Het wordt allemaal zeer begrijpelijk gevonden: een mens moet zich thuis voelen om optimaal te kunnen presteren.

Een beroepsgroep die buiten deze vanzelfsprekende erkenning valt is de leraar voortgezet onderwijs. Voor hem of haar geen eigen bureau, laat staan een eigen kamer. Heel vroeger had een leraar een eigen lokaal, waar hij als er geen les te geven was kon blijven werken, zittend aan 'het tafeltje'. En als leerling kon je de diverse karakteristieke eigenschappen aardig aflezen uit de inrichting, zoals sober, zo niet kaal, uitbundig met veel actuele berichten aan de muur, of vooral esthetisch. Voor iedere les kwam je in een andermans wereld.

Maar dat is lang geleden, van ver voor de tijd van de grote scholengemeenschappen en de deeltijdaanstellingen. Persoonsgebonden lokalen voor iedereen zijn begrijpelijkerwijs niet meer mogelijk, maar het is onbegrijpelijk dat er helemaal niets voor in de plaats is gekomen. Het is vooral veelzeggend, want tekenend voor de status van het leraarschap: het wordt kennelijk geen intellectueel beroep meer gevonden. Niet iets voor mensen die denkwerk moeten verrichten en zich daarom geregeld rustig moeten kunnen terugtrekken om te lezen en te schrijven. In de tijd van het eigen lokaal werd het leraarschap maatschappelijk wel als zodanig gewaardeerd. Niet zelden was een hoogleraar bijvoorbeeld als leraar begonnen. En wie ook maar een beetje nadenkt, beseft dat degenen die onderwijs geven aan de komende generatie deel uitmaken van het wortelstelsel voor 's lands sociaal-economische en culturele toekomst.

Als het waar is dat in het voortgezet onderwijs een gebrek dreigt aan leraren van niveau, is dat dus inderdaad reden voor grote bezorgdheid. Vooral universitair opgeleide leraren blijken onder de nieuwe garde nauwelijks meer te vinden te zijn. Het leraarschap is geen bewuste keuze meer uit liefde voor het eigen vak die men wil overdragen, maar een mogelijkheid die overblijft als aantrekkelijker beroepen - zoals in de journalistiek, informatica of reclamewereld - afvallen. Er blijken te weinig aankomende docenten die hun vak enthousiasmerend kunnen overdragen en de leerlingen intellectueel uitdagen. Er wordt gesproken over veel ongeïnspireerde lesboeren die op routine hun verplichte nummers voor de klas afdraaien, net zo'n hekel hebben aan tussenuren als de leerlingen en zo snel mogelijk weer naar huis gaan. Ook een leraar met een volledige aanstelling brengt de naast de 28 lesuren resterende tijd van zijn werkweek veelal niet op school door. Maar waar zou hij ook moeten blijven? In de duiventil van de docentenkamer?

Er moeten, zegt men, kwaliteitsimpulsen komen. Maar er is sprake van een vicieuze cirkel. Het beroep heeft geen intellectuele status meer en zolang die er niet is, zal men ook weinig universitair geschoolden trekken, want die komen elders beter tot hun recht. Docent wiskunde Tolboom in Trouw van vorige week: “Leerlingen die te weten komen wat mijn achtergrond is, vragen zich verbaasd af waarom ik leraar ben geworden. Ondertussen ben ik zelf ook al zo ver heen dat het ook mij verbaast wanneer een enkele leerling laat weten wel iets in het leraarschap te zien. [...] Dat van de drie studenten aan de postdoctorale opleiding die ik afgelopen jaren heb mogen begeleiden er twee na hun bul de gouden bergen van de IT-branche zijn gaan beklimmen kan ik helaas beter begrijpen.”

Een van de arbeidsvoorwaarden op die gouden berg zal ongetwijfeld een eigen werkplek zijn. Een klein begin met het doorbreken van de vicieuze cirkel zou kunnen zijn dat men ook voor docenten op enigerlei wijze een dergelijke voorziening organiseert.

    • Rita Kohnstamm