De boom-bust economie

Boom en bust: geen andere grote Europese economie dan de Britse kent van oudsher hoge pieken en diepe dalen in de conjunctuur. De Britse economie maakte groeipieken door van 5 tot 6 procent halverwege de jaren tachtig, en 5 procent in 1994. Diepe dalen waren er in 1981, toen de economie met bijna 5 procent kromp, en in 1991-1992 toen het dal bijna 3 procent bedroeg. In Duitsland, Frankrijk en ook in Italië is de economische cyclus niet zo ontstuimig. En in Nederland al helemaal niet.

Het karakter van de Britse economie is actueel. Het Verenigd Koninkrijk lijkt de laatste maanden af te stevenen op een flinke groeivertraging, en dat werpt de vraag op of er na de recente boom-jaren ook weer de traditionele bust volgt. Minstens even interessant is wat er dan met het 'Britse model' gebeurt.

Vorig jaar steeg de werkloosheid in Europa naar een na-oorlogse piek. Reden voor de regeringsleiders van de Europese Unie om in Amsterdam in juni, waar de nieuwe Franse regering-Jospin nogal een punt maakte van de werkloosheid, af te spreken om een speciale werkgelegenheidstop te houden in het najaar. Op die top oefende de Britse premier Blair, die sinds mei 1997 aan de macht was, vast voor de hoofdrol die hij in de eerste helft van 1998 zou spelen als het Verenigd Koninkrijk voorzitter van de Europese Unie was. De Britten, met hun werkloosheid van onder de 5 procent, zouden Europa wel eens laten zien hoe je het probleem aanpakte. Maar net nu het Britse model van privatiseringen, een flexibele arbeidsmarkt, een afgeslankte sociale zekerheid en een beweeglijke loonvorming op het punt stond roem te oogsten, is de conjunctuur aan het omslaan.

Zoals bekend houdt het internationale imago van een land nauw verband met zijn conjuncturele toestand. Als het goed gaat ben je een voorbeeld voor alle anderen, als het daarna wat minder is ben je juist een illustratie van hoe het niet moet. Vraag het de Zweden, de Amerikanen, de Japanners en de Aziatische Tijgers. Nu de Britse groeicurve in snel tempo afneemt, begint ook het imago van de Britse economie als banenmachine snel af te bladderen.

De Amerikaanse bank J.P. Morgan concludeerde al in april dat alle privatiseringen en hervormingen die onder 18 jaar Conservatief bewind zijn doorgevoerd hooguit hebben geholpen om de relatieve neergang van de Britse economie ten opzichte van het continent te stoppen. De produktiviteitsgroei van de Britse economie is niet versneld. Gecorrigeerd voor het conjunctuurverschil met het Europese continent, is de werkgelegenheidsgroei sinds de Conservatieven in 1979 aan de macht kwamen, bovendien niet hoger geweest dan die van de rest van Europa.

Afgezien van de onstuimige natuur van het Britse pond en een rentebeleid dat pas sinds vorige jaar onafhankelijk is van de politiek, is het boom-bustkarakter van de Britse economie vooral het gevolg van wilde bewegingen in de consumptieve bestedingen. Die maken zoals in alle industrielanden zo'n tweederde van de vraagzijde van de economie uit. Waar komen die wilde bewegingen vandaan?

Allereerst is er de rentegevoeligheid. In het Verenigd Koninkrijk is het gangbaar om hypotheken af te sluiten tegen een korte rente. Dat heeft een sterk pro-cyclisch effect. De uitgaven aan woonlasten dalen als de economie zich in het begin van een conjuncturele opgang bevindt en de rente nog laag is. Juist als oververhitting toeslaat en de rente stijgt, stijgen ook de woonlasten en lopen de bestedingen door de hogere woonlasten sterk terug.

De onder de Conservatieve regeringen sterk verminderde ontslagbescherming, en het van oudsher al relatief lage peil van de sociale voorzieningen werken ook pro-cyclisch op de consumptieve bestedingen. Hoewel de bedrijfswinsten door de flexibiliteit van de arbeidsmarkt juist goed op peil blijven als het economisch minder gaat, neemt de werkloosheid snel toe. De inkomensval is, door het grote verschil tussen betaalde arbeid en een uitkering, groot. waardoor de consumptieve bestedingen zeer sterk op de conjunctuur reageren en die op hun beurt weer verdiepen.

Nu zijn er op het continent al landen die de laatste jaren wat meer op het Verenigd Koninkrijk zijn gaan lijken. Een van die landen, Nederland, gaat het voor continentale begrippen zo zeer voor de wind, dat ook het 'poldermodel' nog steeds internationale bewondering oogst. Het niveau van de sociale voorzieningen is er de laatste tien jaar teruggebracht, niet in de laatste plaats door het periodiek ontkoppelen van de stijging van de uitkeringen aan de lonen. Ontslagbescherming is minder geworden, en het aantal 'flexwerkers' (uitzend- en oproepkrachten) is flink toegenomen. Bovendien hebben de sterk gestegen woningprijzen meer huizenkopers dan voorheen verleid tot het aangaan van hypotheken tegen een kortlopende (en nu nog lage) rente.

Het resultaat is tot nu indrukwekkend. De prikkel om te gaan werken is sterker, aan de angst van het bedrijfsleven om vaste krachten aan te nemen is tegemoet gekomen. En de gestegen loonsom heeft, samen met een te lage rente en nieuwe hypotheekvormen, een orgie op de huizenmarkt veroorzaakt. Dat zijn allemaal ontwikkelingen die gunstig uitpakken voor de consumptieve bestedingen, die nu al jaren een ongewoon grote bijdrage hebben geleverd aan de economische groei.

Het kleine Britse broertje op het Europese vasteland maakt zo gouden jaren door. De proef op de som komt pas later. Hebben de veranderingen van het Poldermodel ook een pro-cyclisch effect als de conjunctuur daalt? Flexwerkers zijn makkelijk te ontslaan, en zij vallen in inkomen verder terug dan voorheen. Een rentestijging, een daling van de huizenprijzen of (aannemelijker) allebei tegelijk, maken nu grote kans om sterker door te werken in het besteedbare inkomen. Dat zou er op moeten wijzen dat het volgende economische dal in Nederland dieper wordt dan verwacht. Na de boom de bust. Geheel naar Britse traditie.

    • Maarten Schinkel