Blaffers in Bollywood; Hoe de mafia bezit nam van de Indiase filmindustrie

Het begon ermee dat een kleine producent werd doodgeschoten. Toen kwam de ontvoering van een andere. Daarna nog twee aanslagen. Maar pas toen de cassettekoning werd vermoord, zag iedereen wat er aan de hand was in Bollywood, Bombay. De mafia was neergestreken in een van de grootste filmindustrieën van de wereld.

De lange geweerloop priemt in het gezicht van de gedrongen, bebaarde man. Angst lijkt hij niet te kennen als hij op zijn belager afloopt. Hij sluit langzaam zijn hand om de loop en begint zachtjes te praten. “Cut”, schreeuwt de regisseur van een afstandje. Hij staat op en zijn gezicht heeft een vermoeide uitdrukking als hij zegt dat er meer dreiging van het wapen moet uitgaan. “Het is niet ècht zo.”

In Bombay, op de set van zijn nieuwe film Mela ('Kermis'), heeft India's beroemde vechtfilmregisseur Dharmesh Darshan een punt: het is niet echt. Een Hindi-film is over het algemeen erg gewelddadig, maar uitermate onrealistisch. Maar de kloof tussen film en werkelijkheid wordt snel kleiner aan de zonnige westkust van India: de films worden realistischer. Niet dat ze minder gewelddadig zijn, de werkelijkheid is steeds meer op de films gaan lijken.

De glamourwereld van 'Bollywood', de grootste filmindustrie ter wereld, kwam vorig jaar in een ware nachtmerrie terecht. Alle ingrediënten van de tandoori-western waren voorhanden: moorden, machtige mafia-organisaties, afpersing, intriges en grote financiële belangen. De set: de filmwereld van Bombay zelf. De doden vielen deze keer onder regisseurs, de afgepersten waren acteurs en de ontvoerden waren producenten. De glanzende schijnwereld werd overspoeld door een golf van extreem geweld, paniek en paranoia.

Misdaad, teruglopende inkomsten en lege studio's zijn het gevolg van een ontwikkeling die jaren geleden inzette in Bombay. Acteurs, regisseurs en producenten verplaatsen zich tegenwoordig met bodyguards door de hoofdstad van India's meest welvarende deelstaat Maharashtra, waar eens honderden Hindi-films per jaar werden afgeraffeld. Nu wijken veel filmproducenten uit naar andere, snel moderniserende steden als Bangalore en Madras in het zuiden van India.

Op een tien meter hoge steiger langs een boulevard in het centrum van Bombay zijn drie mannen druk bezig met de fabricage van een bonte, handgeschilderde filmadvertentie - zo groot als een huis van drie verdiepingen. Uit een oude geluidsdrager bij een straatstalletje met bananen en aardappelen zingt een schelle, hoge vrouwenstem een treurig lied over haar verdwenen minnaar - filmmuziek uit lang vervlogen tijden. Voor de deur van een bioscoop staan honderden mensen te trekken en te duwen voor de eerste kaartjes van een film die in première gaat.

Niemand ontkomt aan film in India. Het witte doek is wel eens het enige bindmiddel van de complexe en diverse Indiase samenleving genoemd. De Hindi-film is bedoeld om de Indiërs voor een paar uur weg te halen uit de dagelijkse ellende. “De films zijn er puur als ontsnappingsmiddel voor de bevolking”, geeft producent Raitan Jain zonder omwegen toe.

Jain is de producent van Mela, een typische masala-movie, naar het Indiase gerecht waarin van alles een beetje zit. Een held, een heldin, een ontluikende romance, veel schurken, veel vechtpartijen en, bovenal, veel muziek. De muziek kan een film maken of breken, zegt Jain, die zelf eigenaar is van de grote muziekuitgever Venus. “Of ze nu in de stad wonen of op het platteland, nagenoeg elke Indiër kent het repertoire van teksten en melodieën uit de filmgeschiedenis uit het hoofd. Het publiek pikt het niet als er minder dan vijf liedjes in een film zitten.”

De filmmusicals zijn over het algemeen uiterst voorspelbaar en ontdaan van elke sensualiteit - elke film moet nog steeds worden goedgekeurd door de Indian Film Censor Board. “We streven er niet naar de realiteit na te bootsen. Die is al erg genoeg voor de meeste mensen”, zegt producer Jain. “De meeste Indiërs zijn straatarm. Waarom zou je ze ook nog in de bioscoop op al die ellende trakteren?”

Uitwassen

De eerste Hindi-film werd in 1894 in Bombay vertoond. Sindsdien groeide het medium uit tot een miljoenenindustrie en zijn de twaalf miljoen inwoners van de stad, veelal wonend in kilometers lange slums langs de boulevards, de achterbuurten en langs de spoorlijn, getuige van alle rijkdom die ook Hollywood kent: de glamour, de party's, de celebrities, de glossy magazines over hun intriges, de dure landhuizen in de heuvels met uitzicht op de Arabische Zee, de golfclubs, de puissant rijke zakenlieden, de agents en de louche geldschieters. En sinds enkele jaren ook de mafia.

“Bombay wordt gerund door mafiabendes”, zei minister Indrajit Gupta onlangs. “Ze hebben geweldige hoeveelheden geld tot hun beschikking.” De mafia was niet nieuw in Bombay, India's financiële hoofdstad en meest welvarende centrum. Vooral de onroerendgoedmarkt werd lange tijd beïnvloed, zoniet gefinancierd door de georganiseerde misdaad, zegt Gupta.

Nadat India decennia lang was geregeerd volgens de socialistische planeconomie werd in 1991 een liberalisering ingezet. Bombay, het financiële centrum en de handelshoofdstad van India, ging voorop in de ontwikkeling naar een meer marktgericht, kapitalistisch systeem. Met alle uitwassen van dien. “Wie snel rijk wilde worden moest naar Bombay”, zegt een filmdistributeur in Film City. “Niet alleen in de industrie, maar ook in de filmwereld doken allerlei lieden op die er niets te zoeken hadden.”

De onroerendgoedmarkt was het meest schrijnende voorbeeld van de ontwikkelingen in Bombay. Onder invloed van lustig speculerende onroerendgoedmagnaten stegen de grondprijzen in de stad in de eerste helft van de jaren negentig boven die van Manhattan uit. De bouwmarkt was een welkome aanvulling in de inkomsten voor de georganiseerde criminaliteit. De mafia was door de liberalisering van de economie beroofd van zijn traditionele inkomsten omdat populaire smokkelwaar als elektronica en goud gewoon konden worden ingevoerd.

In 1995 kwam de onvermijdelijke omslag in de gouden economie van Bombay. De geldbronnen droogden op en de onnatuurlijk hoge grondprijzen zakten in; de val van de prijzen gaat nog steeds door, met zo'n twintig procent per jaar. De georganiseerde misdaad was opnieuw gedwongen zich te richten op een andere inkomstenbron. De filmsector, waarin honderden miljoenen dollars omgaan, bleek er gevoelig voor. Financiering van dure films is altijd al een probleem geweest. Door de onvoorspelbaarheid van de filmmarkt - vier van de vijf films komen niet uit de kosten - waagden Indiase banken zich nooit aan de financiering van de amusementsindustrie. Ook de grote studio's zijn geen financieringsmaatschappijen, zoals in Hollywood. Geldschieters uit alle hoeken en gaten doken als aasgieren op de film-wallahs - de filmmensen. “De filmindustrie is een ideale plek voor criminelen om hun illegaal verkregen geld wit te wassen”, zegt een commissaris van de politie in Bombay.

De filmmakers maakten aanvankelijk dankbaar gebruik van de financiële steun, al hadden veel producenten geen idee waar het vandaan kwam. “Het geld was er altijd gewoon”, zegt een producent in Film City. “Industriëlen en onroerendgoedmagnaten zorgden daarvoor.”

Cassettekoning

Een jaar geleden werd de relatief kleine producent Mukesh Duggal voor zijn kantoor doodgeschoten. Volgens de politie van Bombay had hij contacten met twee van de grootste mafia-organisaties in de stad. In dezelfde maand werd zijn collega Chambara Shetty ontvoerd, vermoedelijk door lieden die een film hadden gefinancierd en onvoldoende hadden teruggekregen. Hij werd dood teruggevonden. Een paar maanden later ontsnapten twee regisseurs allebei aan een aanslag op hun leven.

Het had niet op een slechter moment kunnen komen. Filmstad Bombay liep al leeg. Vooral de kleinere studio's leden onder de steeds hogere prijzen die filmsterren eisten. Voor andere studio's fungeerde de uit de hand gelopen onroerendgoedmarkt van Bombay als guillotine. Studio-eigenaren hebben hun grote ruimten verhuurd aan kledingfabrikanten, industriëlen of farmaceutische bedrijven, ondernemingen die meer opleveren dan de filmindustrie.

Bangalore en Madras, in het zuiden van India, hebben met succes de filmsector geannexeerd. Daar werden films aanvankelijk vooral in de regionale talen Kannada en Tamil gemaakt, maar tegenwoordig ook steeds vaker in het Hindi. Film City, het grootste studiocomplex van Azië, is nog maar een van de weinige studio's in Bombay waarvan de directeur kan zeggen dat “we voor drie maanden zijn volgeboekt”.

Film City doet in veel opzichten denken aan het complex van Universal Studio's in Hollywood, alleen is het groene, glooiende terrein ten noorden van Bombay vele malen groter. Wie er niets te zoeken heeft wordt bij de slagboom tegengehouden. De persoonlijke toestemming van de minister van Cultuur is vereist om het terrein te mogen betreden. Dat zijn nog de naweeën van de angstpsychose van een jaar geleden.

Die bereikte een hoogtepunt toen in augustus muziekuitgever Gulshan Kumar door drie onbekende schutters met zeventien pistoolschoten om het leven werd gebracht. De 42-jarige Kumar, ooit een ongeschoolde, hardwerkende mangosapverkoper in de steegjes van Old Delhi, was in Bombay uitgegroeid tot een van de rijksten uit de filmwereld nadat hij zich op de markt van filmmuziekcassettes had gestort. Hij bouwde zijn imperium op het namaken van populaire filmliedjes en verkocht de cassettes ver beneden de gangbare prijzen. Illegaal of niet, bij zijn dood was hij eigenaar van bijna vijftig bedrijven en studio's in Delhi en Bombay en had hij meer dan de helft van de muziekmarkt in handen.

Volgens de politie van Bombay werd cassettekoning Kumar gedood omdat hij had geweigerd 'protectiegeld' te betalen aan de mafia. Hetzelfde gold voor de andere slachtoffers. Producenten, acteurs en regisseurs doken onder, omringden zich met beveiligingsapparatuur en huurden bodyguards in om zich te beschermen. Het toonaangevende beveiligingsbedrijf Tops Security Services noteerde veertig procent meer inkomsten sinds de dood van Kumar.

Tegelijkertijd liep de filmproductie sterk terug in Bombay toen steeds meer financiers zich terugtrokken. “Er zijn te veel problemen”, zei diamantair Bharat Shah eind vorig jaar tegen het weekblad India Today. “We weten niet wie er allemaal betrokken zijn bij het geweld.” Shah, die twintig films financierde en 400 miljoen rupees (ruim 20 miljoen gulden) in 'Bollywood' investeerde, stapte na de moord op Kumar uit de filmindustrie.

Vlak na Kumar werd een vooraanstaande industrieel op klaarlichte dag doodgeschoten in de dure zakenwijk Nariman Point, gadegeslagen door honderden omstanders. De politie, in een poging de oprukkende mafia de baas te worden, zette een tegenoffensief in waarover lokale organisaties voor de rechten van de mens, maar ook Amnesty International, ernstige bedenkingen uitten. In 1997 kwamen zeventig verdachten om het leven bij 'confrontaties' met het politiekorps van de stad, in 1996 waren het er 57. “Snelle reactie is vereist bij de omgang met dergelijke criminelen”, aldus Ronald Mendonca, korpschef van de politie in Bombay. Bij geen van deze confrontaties liep ook maar één agent een schrammetje op.

Volgens de politicus Abu Asim Azmi zijn het geen confrontaties met criminelen, maar moorden gepleegd door de politie, onder het mom van zelfverdediging tijdens een poging tot arrestatie. “Het lijkt wel een Hindi-film”, zegt hij cynisch. “Net als in de film gaat er nooit een politieman dood.”

    • Rob Schoof