Beleggen in Willie Wortel; Naast winstkansen voor het product risico's voor het nieuwe bedrijf

Beleggers hebben een ambivalente houding ten opzichte van startende jonge ondernemingen. Het idee voor een nieuw product biedt mogelijk enorme winstkansen; het nieuwe bedrijf enorme risico's.

Een Willie Wortel tegen het lijf lopen die maar geen geld bij elkaar krijgt om zijn briljante idee naar de markt te brengen. Welke belegger droomt er niet van? Want zelf vijftigduizend gulden bij elkaar sprokkelen dat lukt nog wel. Dat plus vijftigduizend geleend van een bank helpt Willie precies aan die ton die hij nodig heeft om te starten. Wanneer de vinding drie jaar later een gat in de markt blijkt, en Willie's bedrijf naar de beurs gaat, maak je de helft je aandelenpakket te gelde. Voor zo'n miljoentje of tien.

Aantrekkelijke gedachte, maar wanneer komt zo'n kans nou langs? Wat nu en dan wel langs komt is de mogelijkheid om in te schrijven op de aandelen van zo'n uitvinderbedrijf op het moment dat het naar de beurs gaat. Twee maanden geleden nog maar kreeg het bedrijf InnoConcepts een notering aan de NMAX, een vorig jaar opgerichte beurs speciaal voor jonge bedrijven. De aandelen werden aangeboden voor 14,50 gulden. Inmiddels noteren ze al een tijdje boven de vijftig gulden. Dik tweehonderd procent winst; ook niet gek.

Toch zullen beleggers die zich de jaren tachtig nog herinneren, of mensen die ooit deelnamen in de onderhandse (niet via de beurs lopende) financiering van een startende onderneming een draaierig gevoel krijgen als ze zoiets zien. Want hoe zal dat aflopen?

Beleggers hebben op z'n zachtst gezegd een ambivalente houding als het gaat om startende, of althans jonge ondernemingen. Aan de ene kant ziet iedereen de enorme winstkansen. Een bedrijf dat met een nieuwe productformule de markt op komt, kan veel en veel sneller groeien dan een grote onderneming. Al was het alleen maar omdat een bedrijf dat begint met 1 procent marktaandeel zijn omzet in theorie nog kan verhonderdvoudigen, terwijl voor een onderneming met een marktaandeel van 25 procent een verviervoudiging het maximale is. Ook aantrekkelijk voor beleggers is dat een snel groeiend jong bedrijf elke gulden winst die het maakt, meteen opnieuw kan herinvesteren en tot verdere groei kan laten bijdragen. Dat is prettig omdat blijkt dat de beleggende gemeenschap een verdubbeling van de verwachte winstgroei beloont met een toename van de koers/winst-verhouding (k/w) met een factor 2,2. Een voorbeeld: als beleggers voor bedrijf X aanvankelijk uitgaan van een winstgroei van 15 procent per jaar en dat waarderen met een van k/w van 20, dan kan die oplopen tot 44 als er gegronde reden is om te geloven dat de winst met 30 procent per jaar zal groeien. Anders gezegd: de waarde van het aandeel loopt op met 120 procent.

Voor rijpe bedrijven liggen die mogelijkheden om winst te herinvesteren minder voor het oprapen. Een deel - meestal tussen de 25 en 50 procent - van het netto resultaat wordt als dividend uitgekeerd, wat tot op heden voor particulieren fiscaal onaantrekkelijk is. Wat daarna overblijft wordt tegenwoordig grotendeels in de 'oorlogskas' gestort. Mooi als er werkelijk oorlog meer gevoerd wordt - lees: overnames gedaan - maar bij een groot aantal bedrijven wil die kas maar niet leeg raken. Zo staan er miljarden op deposito bij de bank te verpieteren.

Maar de medaille heeft ook een keerzijde. Steeds weer blijkt dat beleggers niet goed weten wat ze aan moeten met de onzekerheden, extra risico's dus die kleven aan het financieren van een jong bedrijf. In de jaren tachtig richtte de Amsterdamse Effectenbeurs de zogenoemde Parallelmarkt op. Daar konden aandelen worden verhandeld van jonge bedrijven met een veelbelovend potentieel maar met weinig 'trackrecord'(geschiedenis als winstmaker). Veel van de bedrijven die daar hun beursgang beleefden zagen hun koers kort na de introductie spectaculair stijgen. Beleggers fantaseerden kennelijk over enorme toename van in de groeipercentages zonder een bijpassende risicopremie in de koers te verdisconteren. Oftewel: ze vergaten hoe kwetsbaar jonge bedrijven zijn. In een aantal van de gevallen vielen de ontwikkelingen tegen. Soms niet eens omdat de markt tegenviel maar omdat de ondernemingsleiding de groei niet wist te managen. Gevolg: de beleggersovermoed sloeg om in angsthazerij. De veel te hoge koersen klapten dramatisch in elkaar, wat weer een negatief effect op het bedrijf zelf had. Na een tijd kreeg de Parallelmarkt de naam een kneuzen- of een piratenbeurs te zijn. Ook een ongenuanceerde conclusie, maar begin jaren negentig legde de Vereniging voor de Effectenhandel zich bij het fiasco neer en hief de startersbeurs op.

Op het eerste gezicht lijkt de moraal van het verhaal: startende bedrijven financieren is prachtig, maar doe het niet via de openbare kapitaalmarkt, waar te emotionele beleggers een reële koersvorming onmogelijk maken.

Echte risicokapitalisten moet je zoeken in de onderhandse circuit: participatie- en investeringsmaatschappijen en 'informal investors' (rijke zakenlieden die een stuk van hun vermogen gebruiken om 'start-ups' te financieren). Die worden niet meteen zenuwachtig van een slecht bericht; ze snappen veel beter hoe ze risico moeten taxeren. Maar die op zich aannemelijke gedachte wordt niet gestaafd door de realiteit. Een aantal jaren geleden maakte de Vereniging van Participatiemaatschappijen de balans op van de resultaten in de eigen sector en kwam tot de slotsom dat het gemiddeld rendement op deelnemingen in startende bedrijven -1 procent over de periode van 1987 tot 1996 bedroeg.

Ze hadden hun centen beter in aandelen Koninklijke kunnen steken. Een van de oorzaken van het mager resultaat was dat mensen met een goed product-idee lang niet altijd over ondernemerseigenschappen beschikten.

Aantrekkelijk aan de formule van InnoConcepts is daarom, dat men die les goed geleerd lijkt te hebben. In plaats van uitvinders te financieren, koopt het bedrijf de uitvinder uit en gebruikt zijn eigen expertise om het productidee naar de markt te brengen. Kijken of het zo wél lukt.

    • Bert Bakker