Waardering voor een classicist

Lyckle de Vries: Gerard de Lairesse. An Artist Between Stage and Studio. Amsterdam University Press, 212 blz. ƒ 59,50

Het lijkt maar niet goed te willen komen met de reputatie van de schilder, prentenmaker en kunsttheoreticus Gerard de Lairesse (1640-1711). In zijn tijd gevierd, maar al snel daarna beschouwd als vertegenwoordiger bij uitstek van de periode van verval waarmee de tweede helft van de zeventiende eeuw in de Republiek vaak wordt geassocieerd, is Lairesse in de negentiende en twintigste eeuw steeds in de schaduw gebleven van de beroemde kunstenaars van Hollands Gouden Eeuw.

In de drie belangrijkste publicaties die Nederlandse kunsthistorici in de afgelopen zestig jaar aan Lairesse hebben gewijd, vormen herontdekking en herwaardering voor de kunstenaar en zijn werk dan ook steeds terugkerende thema's. In het voorwoord van zijn boek uit 1942 vraagt J.J.M. Timmers 'nieuwe aandacht en nieuwe waardering' voor de 'smadelijk onderschatte' kunstenaar. Veel effect heeft het blijkbaar niet gehad, want 28 jaar later constateert D. Snoep in een uitvoerig artikel opnieuw dat de kunstgeschiedschrijving op een punt is aangeland waar Lairesse en zijn werk nieuwe belangstelling verdienen. En in het boek dat de Groningse kunsthistoricus Lyckle de Vries - weer op de kop af 28 jaar later - publiceerde, blijkt Lairesse, wiens schilderkunst weliswaar in 1992 het onderwerp had gevormd van de kloeke oeuvrecatalogus door de Fransman Alain Roy, toch nog steeds 'in the process of being rediscovered'. De verguizing heeft zich zo grondig voltrokken dat volledige kunsthistorische rehabilitatie nog altijd op zich laat wachten. De Vries draagt daar nu belangrijk aan bij door de kunstenaar nadrukkelijk in de artistieke en literaire context van zijn tijd te bestuderen. Zijn boek is rijk geïllustreerd, al zijn vooral de kleurenreproducties van matige kwaliteit.

Gerard de Lairesse werd in 1640 geboren in Luik en kreeg daar zijn eerste opleiding als schilder. Als 24-jarige moest hij, naar het schijnt vanwege een amoureuze affaire, zijn geboorteplaats verlaten en reisde hij hals over kop naar Utrecht. Volgens de achttiende-eeuwse kunstenaarsbiograaf Arnold Houbraken leefde hij daar in grote armoede tot hij in contact kwam met de kunsthandelaar Gerrit Uylenburg die hem in zijn carrière zou steunen. De Vries betwijfelt deze voorstelling van zaken: het lijkt waarschijnlijker dat Lairesse zich in Utrecht nog niet als zelfstandig kunstenaar had gevestigd en in het atelier van een andere schilder aan de kost kwam. Zeker is wel dat hij al snel naar Amsterdam verhuisde, waar hij zich zou ontpoppen tot een van de succesvolste schilders van zijn tijd.

Een groot deel van Lairesse's productie bestond uit wand- en plafonddecoraties van paleizen, patriciërswoningen en Amsterdams grachtenpanden. Een mooi voorbeeld van dergelijk werk is de reeks doeken die hij omstreeks 1688 maakte voor het Hof van Holland - de voormalige rechtszaal in het gebouw van de Ridderzaal in Den Haag. De zeven voorstellingen met scènes uit de Romeinse oudheid en een Personificatie van de rechtvaardigheid, vormen tezamen een allegorische lofzang op de deugden van stadhouder Willem III. Deze serie is het enige van Lairesse's monumentale ensembles dat zich nog bevindt op de plaats waarvoor het is gemaakt. Veel van dergelijk werk is van hun plaats gehaald of verloren gegaan: in de loop van de tijd zijn zulke grote schilderijen verknipt, vernietigd of opgerold opgeslagen op zolders, en daar vergeten, verrot of verbrand.

Die verwaarlozing zal zeker hebben bijgedragen tot de vergetelheid waarin Lairesse later is geraakt. Maar belangrijker in die ontwikkeling is toch dat de waardering voor de schilderkunst van de late zeventiende eeuw en de stijl waarin Lairesse werkte in de loop van de negentiende eeuw een dieptepunt bereikte. Gerard de Lairesse werd gezien als een vertegenwoordiger van het classicisme, een door Franse invloeden bepaalde stijl die contrasteert met de verondersteld typisch Hollandse 'realistische' manier van de helden van de vorige generaties, zoals Frans Hals, Rembrandt en Johannes Vermeer. Een van de verdiensten van De Vries' boek is dat het duidelijk maakt dat Lairesse een lang niet zo'n excentrische kunstenaar is als vaak wordt aangenomen. Het begrip 'classicisme' wordt uitvoerig geanalyseerd en het vermeende contrast met 'realisme' en 'barok' genuanceerd. Lairesse's stijl blijkt niet zozeer het gevolg van een polemische keuze, maar komt bij uitstek tegemoet aan het soort historiestukken waarin hij excelleerde. Simplificerend, schrijft De Vries, kun je stellen dat Lairesse barokke effecten nastreefde, waarvoor hij zich bediende van een classicistisch idioom.

Veel van Lairesse's ambities en overtuigingen kunnen worden gedestilleerd uit zijn theoretische geschriften, die het onderwerp vormen van het tweede deel van De Vries' boek. Nadat hij in 1690 blind was geworden, hield Lairesse zich bezig met het formuleren van traktaten over de teken- en schilderkunst. De nauwkeurige, soms wat langdradige, analyse van deze geschriften in de context van de zestiende- en zeventiende-eeuwse kunsttheorie in de Nederlanden en Frankrijk, vormt de opmaat naar het afsluitende deel van De Vries' boek. Daar wordt de verhouding van Lairesse tot het zeventiende-eeuwse theater uiteengezet.

Lairesse onderhield contacten met de toneelschrijver Andries Pels en diens literaire gezelschap Nil volentibus arduum. Bovendien heeft hij toneeldecors ontworpen voor de Amsterdamse schouwburg. Na een bespreking van die ontwerpen en andere directe relaties met de wereld van literatuur en theater in Lairesse's werk, oppert De Vries de hypothese dat deze, om, binnen de normen van zijn eigen classicisme, tot een maximaal empathisch effect te komen, gebaren, houdingen en gezichtsuitdrukkingen heeft ontleend aan die van acteurs in het theater.

Hoewel het bij een hypothese blijft, wijst de titel van dit deel, 'Theater als de realisatie van Lairesse's idealen', erop dat De Vries dit denkbeeld als een synthese van al het voorgaande beschouwt. Dat verklaart ook de op het eerste gezicht vrij willekeurige keuze van de onderwerpen die in de eerste twee delen zijn behandeld. Zonder een omvattende monografie te zijn, vormt het boek een heldere en, als de puzzelstukjes eenmaal op hun plaats zijn gevallen, ook consistente inleiding op Lairesse als kunstenaar en auteur, beschouwd vanuit het perspectief van de zeventiende-eeuwse cultuur in de Republiek.