Tellen

Ze telde alles om eens het mooiste te kunnen tellen. Wat dat zou worden, ze wist het niet. Daarom telde ze juist door, begreep ik dat nou niet? Er waren zeven tafels in hun huis. Die brachten geluk. Er sliepen 's nachts tien ogen, van haar vader, haar moeder, haar broer, haar zus en haarzelf. Het aantal ogen wisselde overdag, als er iemand naar school of naar z'n werk was en als er iemmand op bezoek kwam natuurlijk. Maar dat hield ze niet bij. Tien bleef tien.

Haar huis in het midden van de stad had zes kamers. Het had drie kranen. Er woonden vijf mensen en nu liet ze me in haar schrift zien dat ze ook met de andere cijfers en getallen al een stuk was opgeschoten.

Ze ging tot de honderd. Ik moest niet denken dat ze zomaar wat invulde. Achter de meeste getallen stond nog helemaal niets. Ja, twee regenbogen, die kon ze moeilijk verbeteren. Zoveel had ze er vorige maand op een zeiltocht gezien. Of vierentwintig rolletjes serpentine, wat kon daar tegenop? Ze lagen bij haar thuis op een geheime plek in de kast.

Vlug telde ze haar neefjes en nichtjes. Niet het allermooiste, maar het kwam wel goed uit. Achter dertien stond nog niets. Was dat het ongeluksgetal? Wat gaf dat. Lachend zei ze dat het er vast nog wel meer zouden worden en achter veertien en vijftien was ook nog plaats.

Bij haar op school zaten elf jongens die Erik heetten, echt, ze had het zelf geteld. Zo stonden in dat schrift drieëntwintig huisdieren (van alle vriendinnen en familieleden), achtenveertig video's, eenenzestig zilveren munten, acht boterhammen-met-jam en negen dolfijnen. Maar het mooiste was volgens haar nog lang niet geteld.

Wat zou het worden? Op een dag liet ze me een plaatje van een boom zien. De vier dacht ik meteen. Zoveel huizen stonden op de takken. Nee, dat was het verkeerde aantal. Als je om de boom heen liep en hem ook nog on z'n volle grootte bekeek, telde je liefst tweeëndertig huizen. Ze zagen er prachtig uit en toch telde ze door. Het allermooist waren ze vast nog niet.