Studeren aan het conservatorium; Je moet de hele dag willen trommelen

“Als een orkest een proefspel houdt komen er tachtig violisten op af. Ze zouden strenger moeten zijn bij de toelating”, vindt een conservatoriumstudente. Zevende aflevering in een wekelijkse serie over kunstonderwijs in Nederland.

In een kaal klaslokaal in het Rotterdamse conservatorium wordt onrustig heen en weer gedraafd. Er zijn overgangsexamens op de afdeling Indiase muziek en iedereen is te laat. Op een klein podium, waarop een Oosters tapijt is uitgerold, zitten twee sitar-spelers en een man achter een klein harmonium met jengelende klanken hun instrumenten te stemmen. Achter een tafel neemt een jury plaats waaronder drie Indiase mannen in witte broeken. Een jonge Indiase vrouw in een lang bloemetjesgewaad loopt met een ongelukkig gezicht om een horloge te leuren. “Forget the time”, raadt iemand haar aan. Vergeefs, gedurende haar zangperformance raadpleegt ze keer op keer openlijk een geleend uurwerk om te zien hoe lang ze nog moet.

Een van de begeleiders tijdens de examens is Heiko Dijker (26), tweedejaars tablastudent. Hij roffelt met zichtbaar plezier op twee kleine trommels met in het midden van de leerbespanning een zwart rondje van ijzervijlsel. Dat geeft het instrument zijn speciale, 'waterachtige' klank, vertelt hij later. Wat hem bezielt om voor dit instrument te kiezen? “Ik was altijd al geïnteresseerd in muziek, maar had nooit iets gevonden waarvan ik dacht 'dit is mijn instrument'. Na mijn middelbare school ging ik reizen en kwam ik in India terecht. De muziek daar raakte me heel sterk, vooral de rust die ervan uitgaat. Ik heb in India een oude meester op de tabla gevonden en heb er twee en een half jaar les gehad. Op een nachtconcert ontmoette ik een zangeres die les had gegeven aan het conservatorium in Rotterdam. Ze vertelde dat daar goede leraren waren en dat er een goede sfeer heerste. Toen ik terug was, heb ik hier toelatingsexamen gedaan.”

Al is er volgens Heiko Dijker wel een groeiende belangstelling, tabla is geen instrument waarvoor men in Nederland in de rij staat. Ook niet in India waar het verhaal gaat dat, als je in Calcutta een steen van het dak gooit, je in negen van de tien gevallen een tabla-speler treft. “Rijk zal ik er niet van worden”, beseft hij. Hij kan les gaan geven of spelen in percussiegroepen zoals de Slagwerkgroep Amsterdam waarmee hij al heeft samengewerkt. Maar het liefst zou hij terug gaan naar India om verder te studeren. “Het instrument is technisch heel ingenieus en je moet alles uit je hoofd leren. De traditionele composities zijn niet genoteerd. Er bestaan honderden thema's en ritmes, waarvoor wel regels gelden, maar daarbinnen heeft iedereen zijn eigen interpretatie. Uitgeleerd ben je nooit.”

Wie musicus wil worden moet een beetje bezeten zijn van een instrument. Eigenlijk moet je niets liever willen dan de hele dag trommelen, fluiten, tokkelen of strijken. Zo is het ook gegaan met Menno Gootjes, net afgestudeerd op de elektrische en semi-akoestische gitaar en al druk aan het werk. Hij speelde vanaf zijn achtste klassiek piano, maar werd toen hij 15 was gevraagd voor een band. “Ze hadden een gitarist nodig, dus kocht ik een gitaar. Toen ik een beetje akkoorden kon spelen, was ik verkocht. Ik zat op het gymnasium in Schiedam maar dat werd een fiasco, ik deed niets anders dan spelen.”

Nu zit hij in een orkest van Thijs van Leer en gaat vanaf oktober een jaar op tournee met Van Leers heropgerichte groep Focus, als 23-jarig 'broekie' tussen de doorgewinterde vijftigers. “Ik heb geluk, maar ik heb er ook hard voor gewerkt. Een tijd lang heb ik er alles voor opzij gezet, ook vriendinnen. Ik heb veel studenten zien afvallen, omdat ze niet genoeg in hun mars hadden, of de wil niet hadden om zich er helemaal aan over te geven. De eerste jaren is het beulen geblazen. Bij de jazz bijvoorbeeld moet je improviseren en eigen ideeën ontwikkelen. Dat vereist veel techniek en kennis van het instrument.”

Het goede van het conservatorium vindt hij dat hij er een echt vak heeft geleerd. “Ik ben op een breed terrein inzetbaar. Dat is het verschil met beeldende kunst-opleidingen die vaak veel te abstract en te hoog gegrepen zijn. Ik ben door die studie ook goede muzikanten tegengekomen met wie ik samen kon spelen. Het is belangrijk dat je ook buiten de school actief bent in de muziek. Dat vergeten sommige studenten.”

Schnabbelen

Schnabbelen, netwerken en kruiwagens vinden. Na afloop van een concert de kroeg in met de andere musici om een vriendenkring te kweken en zo je kansen te vergroten op een van de weinige banen die er zijn te verdelen. Daarover heeft ook hoornist Alex Thyssen (25) uit Egmond aan de Hoef het. Als zeven-jarige speelde hij trompet in een muziekvereniging, tot de hoornist overleed en hij die plaats in mocht nemen. “Ik vond het een geweldig instrument. Als ik hem op tv of op de radio hoorde, zette ik het geluid altijd harder. Ik vind de klank mooi, in een orkest hoor je de hoorn er ook altijd bovenuit.”

Hij woont in een van de appartementen die het conservatorium van Amsterdam aan studenten verhuurt en waar hij desnoods tot middernacht kan tetteren. Ik tref hem in het Sweelink-conservatorium, een doolhof van gangen en trappetjes vlak bij het Concertgebouw. Alex Thyssen is vorig jaar afgestudeerd als docerend musicus, en gaat nu verder met een studie kamermuziek. Hij heeft het druk met studeren, lesgeven en spelen, onder meer in een blaaskwintet, en af en toe als invaller in beroepsorkesten. Hij hoopt op een vaste baan in een orkest, maar dat is lastig. “De meeste orkesten hebben maar vier vaste plekken voor hoornisten. Ik heb al een paar keer proefgespeeld, maar het is nog niet gelukt, want er komen veel mensen op af met meer ervaring en een carrière achter de rug. Maar er komt ongetwijfeld nog een moment dat het wel lukt. Ondertussen doe ik gewoon dingen die ik leuk vind, zoals kamermuziek.”

Violiste Masha van Sloten (22) kwam uit Groningen naar Amsterdam, omdat haar eigen leraar daar les ging geven en omdat ze het niveau van de opleiding en het klimaat in Amsterdam gunstiger vond voor haar carrière. “Amsterdam is een gezonde omgeving omdat er veel gebeurt op muzikaal gebied. Er worden goede musici opgeleid en je vindt er veel mensen om mee samen te spelen en van te leren.” Ze is tevreden over de opleiding, maar ook kritisch. Een bijvak als muziekgeschiedenis wordt tot haar spijt maar in vogelvlucht behandeld en het aantal toegelaten leerlingen staat volgens haar niet in verhouding tot het aantal arbeidsplaatsen. “Als een orkest een proefspel houdt komen er tachtig violisten op af. Ze zouden strenger moeten zijn bij de toelating. Het komt ook regelmatig voor dat iemand in het derde jaar nog van school wordt gestuurd. Ik vind dat het conservatorium daar een verantwoordelijkheid in heeft.”

Ze wil graag doorstuderen, in Londen of Berlijn: 'de leraar staat voorop'. En dan misschien lesgeven, 'maar niet op een muziekschool', misschien in een orkest 'maar niet full-time', misschien kamermuziek maken. En een solistische carrière? “Ik heb veel solo gespeeld en aan concoursen meegedaan en ben nog een concours aan het voorbereiden. Maar je moet realistisch zijn. Als kind heb ik niet die begeleiding gehad vergelijikbaar met violisten die al heel jong van Krebbers les hadden. En dat heb je wel nodig.”

Maastricht

Het conservatorium van Maastricht bevindt zich in het oude stadshart. Door de open ramen overstemmen de toonladders van een sopraan de klanken van andere instrumenten. Binnen laat Anastassia Safonova (22) zich met moeite van de piano losweken. Twee jaar geleden kwam de Russische pianiste uit Moskou naar Maastricht en inmiddels kan ze zich uitstekend in het Nederlands uitdrukken. “Ik ben naar Maastricht gekomen om les te krijgen van Avi Schönfeld, die ik op een master class heb leren kennen. Avi Schönfeld heeft mooi inzicht in de techniek, hij werkt heel precies.”

Anastassia begint aan de tweede fase, de vervolgopleiding voor getalenteerde studenten, en treedt al geregeld op. Ze droomt van een carrière als solist. “Maar ik besef ook dat er veel goede pianisten in de wereld zijn en dat de concurrentie heel groot is. Ik zie het wel, ik ga eerst aan een paar internationale concoursen meedoen. Dat is de moeilijkste weg, maar ook de beste om aan een impresario te komen. Ik ben niet jaloers op toppianisten, het is een hard leven. Maar het is ook heel mooi om op het podium te zitten en contact te hebben met het publiek.”

Bas-bariton Dennis Wilgenhof (25) uit Eindhoven volgt in Maastricht de zangopleiding bij de zanger Lieuwe Visser. Hij heeft zijn tweede jaar net afgesloten. Vroeger zong hij lichte muziek, belandde in een musical, maar zag op den duur meer in het klassieke genre. Hij deed toelatingsexamen voor Den Haag en Maastricht en werd bij beide opleidingen aangenomen. Het werd Maastricht, omdat hij positieve geluiden had gehoord over de zangopleiding daar, omdat het dichter bij huis was en het er heerlijk wonen is zo vlak bij de bossen. Bovendien is hij logopedist en geeft hij er les op de toneelschool in Maastricht. “Mensen gaan op het conservatorium anders met elkaar om dan op de toneelacademie,” is zijn bevinding. “Op de academie is men meer in groepen georganiseerd, terwijl hier iedereen individueel bezig is.”

“Ik ben mijn zangopleiding begonnen als uitbreiding van de logopedie, ik wilde zangles geven. Maar dit jaar heb ik besloten dat ik zanger wil worden. Daar wil ik concessies voor doen. Het leukste aan zingen vind ik de kick die het geeft om je zo persoonlijk te uiten voor een publiek, in combinatie met de schoonheid van de muziek. Dat klinkt wat hoogdravend, maar zo voel ik het wel.” Hij is nog bezig aan een ontdekkingstocht door de muziek, de verschillende stijlen en componisten. Bovendien is een stem een instrument dat eerst moet groeien voor je precies weet wat je ermee kunt. “Eigenlijk zou ik alles willen uitproberen. Ik kwam met een voorliefde voor het lied, met name van Schubert en Schumann, maar ik neig nu ook naar de opera.”

God voor alles staat in het glas-in-lood-raam van een bakstenen gebouw aan de Maas. Het vroegere klooster dient nu als dependance van het Maastrichtse conservatorium. In plaats van gebeden stijgt er popmuziek op en de gebruikers hebben niets gewijds. Neem Mitch Mulders, 28 jaar, ringetjes door de oren, knopjes in de neus, gympen aan de voeten en Jimi Hendrix als grote held. Nog even en hij mag zich gitaardocent noemen, in het lichte genre. Zijn hoofdvak-docent was Jan Formannoy. Mulders begon op zijn twaalfde met klassieke gitaar. “Toen ik zo'n jaar of 15 was begon ik te puberen en dacht: die Bach, die kan me wat. Ik heb een paar eigen bands gehad, eerst een punkband, daarna speelde ik in een funkachtige rockband. We deden mee aan talentenjachten, maar haalden het steeds net niet. Naar het conservatorium wilde ik helemaal niet. Maar op een gegeven moment had ik wat baantjes gehad die m'n neus uitkwamen en een andere opleiding kon ik eigenlijk niet bedenken. Ik heb me van te voren redelijk goed laten informeren, dus het is niet tegengevallen. Het enige wat ik moeilijk vond was om de studie in de gestelde tijd af te maken. Je hebt geen tijd om van het leven te genieten. Als ik straks klaar ben, verandert er niet veel, omdat ik nu al speel en les geef. Ik zal wel meer sollicitatiebrieven schrijven naar muziekscholen.” Hij kijkt naar zijn handen. “Waar ik me in de opleiding van bewust ben geworden is, dat er niets met mijn handen moet gebeuren. Ik heb mensen meegemaakt die daardoor hun carrière moesten opgeven. Dat is wel eng, dat je zo kwetsbaar bent.”

    • Gerda Telgenhof