Ploeteren voor porselein

Janet Gleeson: The Arcanum. The extraordinary true story of the invention of European porcelain. Bantam Press, 273 blz. ƒ 53,-

Chinees porselein werd in de zeventiende eeuw zo'n gewild luxe-artikel in Europa dat er een fortuin te verwachten was voor de eerste ondernemer die het kon namaken. Van de Chinezen zou het fabricagegeheim (het 'arcanum') niet gehoord worden. Iemand zou het zelf moeten ontdekken, een pottenbakker of uitvinder of alchemist. Er waren al een tijd lang veredelde soorten aardewerk te koop. Het ware product kwam alleen uit de Oost.

Het eerste Europese porselein is aan het begin van de achttiende eeuw eindelijk gemaakt in Dresden. Het was het werk van Johann Joachim Böttger, een apothekersleerling uit Maagdenburg die in Berlijn geprobeerd had de steen der wijzen te ontdekken waarmee uit lagere metalen goud verkregen zou kunnen worden. Het geloof van de alchemisten dat dit mogelijk was, werd nog serieus genomen. Böttger, die iets van een oplichter in zich had, gaf in 1701 een demonstratie waarbij zilveren munten waarachtig in goud leken te veranderen.

Hoe hij de goocheltruc uitvoerde is onopgehelderd. In ieder geval deed hij het zo overtuigend dat koning Friedrich I van Pruisen hem ontbood om zijn kunst aan het hof te vertonen. Böttger vreesde het ergste en vluchtte naar Wittenberg in Saksen. Vandaar werd hij na topberaad door een militair escorte overgebracht naar Dresden, waar de keurvorst August de Sterke evenveel behoefte had aan goud als de Pruisen en misschien toleranter was in de omgang.

In Dresden werd Böttger in een kasteel opgesloten waar hij twee jaar lang verder zocht naar de steen der wijzen. In 1703, benauwd voor het ongeduld van de keurvorst, probeerde hij weer te vluchten, naar Praag nu, maar hij werd opgepakt en teruggehaald. Hij had toen het geluk dat een geleerde hoveling, Von Tschirnhaus, in hem behalve een bedrieger een begaafde chemicus zag, en hem wilde gebruiken bij zijn onderzoek naar een arcanum waarvan met zekerheid gezegd kon worden dat het bestond: dat van porselein.

Böttger heeft de verlangde ontdekking gedaan na nog eens jaren werk in benarde omstandigheden, opgesloten in een kasteel zonder salaris en zonder contact met de buitenwereld. In 1709 leverde hij iets af wat de eigenschappen had van porselein, alleen nog niet zo mooi glanzend als het Chinese origineel. De keurvorst stond hem toe in Dresden verder te ploeteren, als hij ook naar goud bleef zoeken. De porseleinproductie die langzaam op gang kwam, werd overgebracht naar het naburige Meissen waar meer ruimte beschikbaar was.

Op het goud is tevergeefs gewacht, maar op de Leipziger Messe van 1713 werd het porselein van Böttger een Europese sensatie. Het zou aardig geweest zijn van de Saksers als zij hem nu de vrijheid en een huis met uitzicht over de Elbe hadden gegund. Maar daar begonnen zij niet aan. Het zou te gevaarlijk zijn, want hoe gul die man ook beloond werd, verschillende rijkere Europese hoven zouden toeschieten met mooiere aanbiedingen. Een bijkomende overweging was dat de porseleinfabriek weinig opbracht, deels door slordige bedrijfsvoering en deels doordat een hoop van de productie door de vorst zonder betaling naar het kasteel gehaald werd.

Böttger kreeg wat meer ruimte om zich heen en hij werd tot baron verheven. Hij bleef gevangene, en kreeg telkens verwijten over zijn bedrijfsresultaten. Intussen ging zijn gezondheid achteruit, wat geen wonder was gezien de oververhitte ruimtes waar hij in stofwolken moest werken. Op zijn zevenendertigste overleed hij, in 1719.

Böttger was niet ondervoed, hij had werk dat hem interesseerde en hij liep geen gevaar van ontslag, integendeel. In andere opzichten kwamen zijn arbeidsomstandigheden overeen met die in de twintigste-eeuwse gevangenkampen. Het lijkt wel of de keurvorst niet besefte dat hij zijn eigen belang diende als hij deze werknemer gezond en welgemoed hield: maar hij was een ouderwetse ondernemer, hij dacht niet in zulke termen. In zijn bijna 40-jarige regeringsperiode (1694-1733) heeft hij zich doen kennen als eerzuchtig, kunstzinnig en wellustig; niet als een vriend van zijn onderdanen, behalve voor zover zij er plezier in hadden zich te vergapen aan de vertoning die hij gaf. Saksen was hem te klein, hij wilde koning van Polen worden en moest daartoe voor grof geld de steun van de Poolse edelen kopen.

Toen zij hem gekozen hadden begon hij een oorlog tegen Zweden die hem geen voordeel opleverde. Enorme bedragen werden besteed aan kunstaankopen en aan bouwwerken zoals de Zwinger, het verscheidene malen vernielde feestpaleis van Dresden dat ook na de bommen van 1945 weer hersteld is.

Weinig onkosten hoefde August te maken voor zijn verzameling Meissen-porselein, die ten slotte uit zo'n 40.000 stukken bestond. Het is met porselein als met sinaasappels, legde hij eens uit: het smaakt altijd naar meer. Tegen 1730 liet hij voor een van zijn paleizen een nieuwe vleugel ontwerpen, waarvan het bouwmateriaal voor zover mogelijk porselein zou zijn, en de meeste decoratie natuurlijk ook, inclusief een porseleinen dierentuin in een zaal van vijftig meter lengte, waar alle soorten op natuurlijke grootte vertoond zouden worden.

Zo'n menagerie had Böttger niet kunnen maken, maar sinds diens dood was de porseleinindustrie verder ontwikkeld. In 1720 werd een nieuwkomer uit Wenen van naam, Herold of Höroldt, de voornaamste decorateur van de fabriek. Hij vernieuwde zowel het wit van de porselein als de versieringstechniek, en bedong voor zichzelf een vrije en goedbetalende plaats aan het hoofd van het bedrijf. Wat hij nog niet kon, was porseleinen sculptuur maken. Daar werd een beeldhouwer voor aangetrokken, de domineeszoon Johann Joachin Kaendler die erin slaagde het productieproces naar zijn hand te zetten en de vorst na enkele maanden kon verblijden met een twee meter hoge arend.

August ging dood voordat de menagerie compleet was. Maar er kwamen genoeg andere opdrachten om Kaendler bezig te houden en de fabriek nog een aantal jaren te laten bloeien. Het kon niet duren, tenminste niet met dezelfde exclusiviteit. De productiegeheimen lekten toch uit, hoe streng er ook geprobeerd werd industriële spionage te verhinderen. Daar kwamen bij twee invallen van de Pruisen onder Frederik de Grote, die in 1744 en opnieuw twaalf jaar later zware schade aanrichtten en de productie tot stilstand brachten. Tegen 1770 werd Meissen overtroefd door Sèvres.

Janet Gleesons boek over deze geschiedenis is door de uitgever aangekondigd als een opvolger, niet naar de inhoud maar naar model en verkoop-potentieel, van Dava Sobels Longitude (1997), over de achttiende-eeuwse uitvinding van de betrouwbare scheepsklok. Zo kort als die bestseller is The Arcanum niet, en zo populair is het ook nog niet, maar wel is het een compact geschreven en onafgebroken merkwaardig en boeiend boek.