Onderweg met Joep Schouten; 'Een speeltje. Brutaal. Op het randje van ordinair'

Iedere week rijdt deze krant met een ondernemer mee op de achterbank. Van wat voor auto houdt hij ècht? Geniet hij ervan te worden rondgereden? Deze week: Joep Schouten, voorzitter van de raad van bestuur van de SFB Groep - uitvoerder van WAO en WW, maar ook pensioenverzekeraar, vermogensbeheerder, arbodienstverlener, full service organisatie voor employee benefits.

auto: nachtblauwe BMW 523i

Route: van het hoofdkantoor in Amsterdam naar restaurant De Hoefslag in Zeist voor een zakenlunch

AMSTERDAM, 26 JUNI. Aan het eind van de rit, als de chauffeur de auto al heeft geparkeerd, begint Joep Schouten opeens te vertellen hoe hij als jong verkopertje in een herenmodezaak (Kostermans in Haarlem) altijd heel goed keek hoe mannen van stand zich gedroegen - en hoe hij ervan droomde dat hij ooit ook zo zou zijn.

Als student sociologie, jaren later, leerde hij dat dat anticiperende socialisatie heet.

Joep Schouten, op zijn veertiende van school getrapt, wilde vooruit in de wereld.

“Ik had twee helden”, zegt hij. De eerste held was een groep: de leden van de sociëteit Trouw moet blijcken, aan de overkant van waar hij werkte. Die werden 's middags door hun chauffeur afgezet om te biljarten. “Die mannen deden nooit dik, nooit poenerig. Ze waren rijk, maar ze lieten het niet merken. Ze lieten zich rijden in een eenvoudige Lancia.”

Hij vond het een levensstijl “om verliefd op te worden”.

Zijn andere held was Sean Connery, in zijn rol van agent 007. “Vooral het universele in hem spreekt me aan, nog steeds. James Bond kan alles, maar hij blijft een heer. Een uomo universale.”

Een universeel mens zijn. Dat is, zegt hij, wat hij altijd heeft nagestreefd. “Niet saai en kleurloos zijn. Ik wil dat gesprekken met mensen ergens over gaan. Ik vind mooi belangrijk. Het hoeft voor mij niet allemaal altijd zo bescheiden mogelijk te zijn.”

Toen hij net voorzitter van de raad van bestuur was geworden, liet hij de hal van het hoofdkantoor van de SFB door een binnenhuisarchitecte opnieuw inrichten. “Waarom zou het er bij ons uitzien als bij de sociale dienst?”

Joep Schouten maakte op z'n Amerikaans carrière. Zeventwintig jaar geleden reed hij in een Diane en nu, privé, in een klassieke Porsche 911. Hij heeft ook nog een “goeïge lobbes” van een Saab 9000, voor als hij gaat golfen en voor de vakantie.

Na Kostermans ging hij bij House of England werken, in de Reguliersbreestraat in Amsterdam, maar al vond hij dat hij daar “een heel mooie positie” had, hij begreep ook dat hij, als hij daar bleef, op zijn vijftigste nog steeds verkoper van herenmode zou zijn.

“Ik ben nu vijftig”, zegt hij. “Toch niet gek.”

Hij moest er, zegt hij, wel wat voor over hebben om administratief medewerker bij de SFB te worden: de helft minder salaris en de hele dag zitten tussen “grijze mannen aan grijze bureaus in lokalen met grijs linoleum”.

Maar hij hield vol en hij werd eerst beoordelaar, daarna correspondent en toen kwam hij in de potentieelgroep van zijn P&O-chef John Neervens, nu de bestuursvoorzitter van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds.

Uiteindelijk ging hij naar Harvard. En daar leerde hij: de SFB is maar klein, en commercieel is niet per definitie slecht. Hij leerde ook dat je “voor een goed bedrijf niet alleen de goeie mensen nodig hebt, maar dat de cijfers ook moeten kloppen”.

Joep Schouten: “Toen ik terug kwam, wist ik dat het roer om moest.”

De SFB is nu geen stichting meer, maar een onderneming, “efficiënt en klantgericht en klaar voor marktwerking”. Vanaf 2000 moeten de GAK's en SFB'en en andere uitvoerders in de sociale zekerheid ècht met elkaar gaan concurreren.

Eén ding, zegt hij, is bij hem anders dan bij veel andere stijgers. Hij is geen job-hopper. Hij zit bij de SFB en hij blijft bij de SFB. “Ik sta ermee op en ik ga ermee naar bed. Ik kan me niet voorstellen dat ik ooit nog wegga. Tegen iedere headhunter die me belt zeg ik: nee.”

Heeft hij ook op Harvard geleerd: managers die in één organisatie naar boven klimmen hebben meer succes. “Dat blijkt uit onderzoek.”

Hij houdt van zijn werk, zegt hij, maar hij houdt ook - “laat ik maar eerlijk zijn” - van het goede leven. “Ja, daar hoort bij dat ik graag in mooie auto's rijd. Auto's waar ik als jongetje van dacht dat ze voor mij onbereikbaar waren. Vroeger durfde ik dat niet te zeggen, toen schaamde ik me er nog voor.”

Hij lacht. “Nu ben ik moediger.”

Over de BMW van zijn werk (zelf uitgezocht): “Een alerte auto, hij zit als een goed gesneden pak. Mooie, evenwichtige vormgeving.”

Over zijn Porsche: “Een speeltje. Brutaal. Op het randje van ordinair. Hij móét blauw zijn en niet versierd.”

Nee, zakelijk zal hij hem nooit gebruiken. “Daar is hij te extravert voor.”