Nederland en de erkenning van de DDR; Blind voor de werkelijkheid

Jacco Pekelder: Nederland en de DDR. Beeldvorming en betrekkingen 1949-1989. Boom, 519 blz. ƒ 59,90

Eén van de merkwaardigste episodes uit de jaren zestig en zeventig was het debat over de erkenning van de DDR, dat vooral in linkse kringen werd gevoerd. Achteraf, en zeker na 1989, is het nauwelijks voorstelbaar dat vooraanstaande en over het algemeen weldenkende leden van de PvdA, zoals huidig plaatsvervangend burgemeester van Groningen Han Lammers, en vertegenwoordigers van protestantse kerken, niet alleen vurig pleitten voor de onvoorwaardelijke erkenning van de DDR, maar dat zij dit deden op grond van een positief oordeel over de DDR-dictatuur.

Verbazingwekkend blijft het hoe gemakkelijk zij voorbijgingen aan de onvrijheid van de bevolking in Oost-Duitsland zelf en hoe gering hun kennis was van wat zich afspeelde achter de Muur. Ze lieten zich door de leiders in Oost-Berlijn politiek misbruiken. Uitspraken als: 'de bouw van de Muur was een historische noodzaak' en 'de DDR was een andere vorm van democratie' getuigden op zijn minst van politieke naïveteit of misplaatst idealisme.

Hoe snel en diepgaand de stemming en oordeelsvorming over de DDR na 1989 zijn omgeslagen, blijkt uit het recente debat over de voormalige linkse sympathisanten van communistische regimes. Het oordeel van Frits Bolkestein over de D66'er Tommel, voormalig lid van de 'Vereniging Nederland-DDR', als 'politiek onbenul', was nog mild. Het bleek nog veel erger, zeker nadat er na 1989 veel nieuw Oost-Duits archiefmateriaal ter beschikking is gekomen.

Jacco Pekelder doet in zijn proefschrift Nederland en de DDR een geslaagde poging de Nederlandse verhouding tot de DDR in de periode 1949-1989 te analyseren en na te gaan welke motieven mensen als Han Lammers en Jan Nagel eind jaren zestig hebben gehad om onvoorwaardelijke erkenning van de DDR te bepleiten. Tot nu toe ontbrak een samenhangende analyse. Pekelders heldere en boeiende studie is ook van belang als bijdrage aan een algemenere discussie over het Oost-Duitse verleden die ook in Duitsland wordt gevoerd.

Uitgebreid schetst de Utrechtse historicus de politieke ontwikkelingen van de DDR vanaf haar ontstaan in 1949. Hij geeft bovendien een overzicht van de talrijke contacten met de DDR van instellingen en personen vanuit Nederland. Hoewel Pekelder zichzelf ook beperkingen heeft opgelegd, bijvoorbeeld wat betreft de reacties in de Nederlandse pers op de ontwikkelingen in de DDR, krijgt men toch een goede indruk van wat zich heeft afgespeeld. Zo wordt het communistische dagblad De Waarheid buiten beschouwing gelaten. De CPN had merkwaardig genoeg slechts een marginale rol in het geheel. Door de breuk tussen de CPN en de SED begin jaren zestig, zocht de SED-leiding vanaf 1962-'63 in andere linkse kringen medestanders.

Pastorie

Misschien is Pekelder wat al te uitvoerig in zijn behandeling van het Hendrik-Kraemerhuis, de pastorie van de Nederlandse gemeente in Berlijn, waarin twee vrouwen, Hebe Kohlbrugge en Bé Ruys, een belangrijke rol speelden. De eerste coördineerde allerlei activiteiten om de relatie tussen de Nederlandse Hervormde Kerk en de Oost-Duitse kerken te verbeteren, maar keerde zich na de bouw van de Muur van het Oost-Duitse communisme af, terwijl Ruys haar dialoog met christenen in Oost-Duitsland intensief voortzette.

Interessanter dan deze kerkelijke contacten is het tweede deel van zijn onderzoek, waarin Pekelder de 'beeldvorming' over de DDR in Nederland analyseert, en waarbij hij een grote plaats inruimt voor de erkenningskwestie. Het is een wonderlijke fase in de naoorlogse Duits-Nederlandse betrekkingen die vooral tegen de achtergrond van het rebelse en verpolitiseerde klimaat van de jaren zestig en zeventig is te verklaren. De DDR werd officieel niet erkend,maar op economisch gebied bestonden nauwe banden. Nederland was één van de belangrijkste handelsspartners van Oost-Duitsland.

Tot in de jaren zestig bestond hier het beeld van de DDR als verlengstuk van de Sovjet-Unie, dat vooral bepaald werd door afkeer van het totalitarisme en het streven om de Bondsrepubliek in het Westen te integreren en de stabiliteit in Europa te bevorderen. Na de bouw van de Muur (1961) nam de interesse voor de DDR af, maar vanaf 1964 werd zij langzamerhand weer publicitair herontdekt, mede ingegeven door het, door enkelen gesignaleerde, kleine 'Wirtschaftswunder' dat zich er voltrok. Vooral in links-protestantse kring ontstond het beeld van de DDR als een socialistische modelstaat en als alternatief voor de kapitalistische samenleving.

In de loop van de jaren zestig ontstonden vanuit kringen van pacifisten, Nieuw Links van de PvdA en leden van de 'Nederlandse Christen-Studenten Vereniging' nauwere contacten met de DDR. In toenemende mate werd de DDR gewaardeerd als het antifascistische Duitsland, wat samenhing met een groeiende belangstelling voor de Tweede Wereldoorlog en met kritiek op de manier waarop men in de Bondsrepubliek met het nazi-verleden omging.

De reis van vier PvdA'ers in 1966 naar Oost-Berlijn was het startsein voor een heftige discussie binnen de partij. In het pamflet Tien over rood, en ook door PSP'ers, ARP-radicalen en D66'ers, werd gepleit voor onvoorwaardelijke erkenning van de DDR. Binnen de PvdA waren drie groepen te onderscheiden. Han Lammers c.s. waren voor onvoorwaardelijke erkenning, een groep was tegen, terwijl Max van der Stoel c.s. een gematigder standpunt innamen en bepaalde voorwaarden aan de erkenning wilden verbinden. Aan zijn tactische inzicht was het te danken dat de Kamerfractie van de PvdA niet dezelfde politiek volgde als het congres in 1969, waar een resolutie voor erkenning werd aangenomen. In de Tweede Kamer wees een meerderheid de door de PSP'er Van der Spek ingediende motie van die strekking af.

De 'Ostpolitik' van Willy Brandt, die met zijn aantreden als bondskanselier eind 1969 in Nederland een omslagpunt betekende in de waardering van de Bondsrepubliek, zorgde ervoor dat onvoorwaardelijke erkenning afhankelijk werd gesteld van de onderhandelingen van de West-Duitse regering. Toen de 'Ostpolitik' in het basisverdrag met de DDR zijn beslag had gekregen, was de weg naar de erkenning van de DDR vrij. Dit gebeurde in 1973; vanaf dat moment werden de contacten met de DRR door verscheidene groepen geïntensiveerd.

Pekelder geeft voor het pleidooi voor onvoorwaardelijke erkenning van de DDR drie verklaringen. Hij onderscheidt drie anti-stemmingen. In de eerste plaats wijst hij op het verzet tegen het establishment van de oude partijgarde van de PvdA. Een jongere garde van Nieuwlinksers wilde door haar radicale standpunt de oude bonzen uit de partij-top jagen en zelf meer invloed en macht veroveren. De erkenning van de DDR was meer een kristallisatiepunt van een partijpolitieke strijd dan een zaak van idealisme. Ongetwijfeld speelde het generatieconflict hierin een belangrijke rol.

In de tweede plaats benadrukt Pekelder de anti-Koude-Oorlog-gedachte, volgens welke de erkenning van de DDR zou leiden tot de overwinning van de bipolariteit in Europa. Het streven naar ontspanning tussen oost en west zou zo gestimuleerd worden. De houding ten opzichte van het communisme was van invloed op de beeldvorming van de DDR. Ten slotte wijst hij op de anti-West-Duitse sentimenten die een rol hebben gespeeld in het erkenningsdebat. Hoe men over de DDR dacht was sterk afhankelijk van hoe men over de Bondsrepubliek oordeelde. Angst voor een machtig verenigd Duitsland, kritiek op het democratische gehalte van de Bondsrepubliek, en het idee dat het antifascisme in de DDR verder was gekomen dan in de Bondsrepubliek, zorgden ervoor dat het bestaan van de DDR werd beschouwd als garantie voor het Europese evenwicht.

Motieven

Hoewel Pekelders verklaringen veel waardevolle elementen bevatten - hij vervalt nergens in het goed-of-kwaad-in-de-Koude Oorlog-spelletje van Bolkestein - zijn er wel kanttekeningen te plaatsen. Wat blijkbaar lastig is vast te stellen, is de hiërarchie van de verschillende motieven, ofwel wat Pekelder het 'onderlinge gewicht van de factoren' noemt. Welk motief heeft de doorslag gegeven, of is het een combinatie geweest van realistische argumenten, idealisme, partijbelangen, carrièredrang, generatieconflict en irrationele anti-Duitse gevoelens? De verklaring dat de DDR er positiever uitkwam wanneer West-Duitsland wegens vermeend revanchisme, nationalisme of neo-nazisme een slechte pers kreeg, wordt onvoldoende uitgewerkt.

Pekelder slaagt er niet helemaal in te verklaren waarom Lammers het DDR-regime zo innig omhelsde; hoe belangrijk waren zijn latente motieven, met name de anti-West-Duitse sentimenten? Onduidelijk blijft of de voorstanders van erkenning allemaal zo cynisch waren als Han Lammers, die de deling van Duitsland diep in zijn hart toejuichte, zodat we de rest als ideologische retoriek zouden kunnen afdoen. Zijn niet alle motieven terug te voeren op een permanente verzetshouding, zowel voortkomend uit het protestantse milieu als daartegen gericht, en sterk gevormd door de oorlog en de underdog-positie van de DDR?

Aan het eind van zijn proefschrift maakt Pekelder de indruk daar zelf nog niet helemaal uit te zijn. Hij komt nog met een diepere, sociaal-psychologische verklaring voor de 'selectieve waarneming' van Lammers c.s. Aan het boek van Paul Hollander, Political pilgrims. Travels of western intellectuals to the Soviet Union, China and Cuba ontleent hij het idee van de vervreemding van de westerse intellectueel in de moderne twintigste-eeuwse wereld. Vervreemding ten opzichte van de eigen samenleving leidt tot idealisering van een andere samenleving.

Het boek van Pekelder vertelt ons veel over de Nederlandse ambivalente verhouding tot de DDR en geheel Duitsland, maar nog veel meer over de Nederlandse verhoudingen in de jaren zestig en over de onzin van een handjevol linkse politici en intellectuelen. Duitsland, in casu de DDR, fungeerde blijkbaar als voorbeeld en als tegenbeeld, een morele toetssteen, of als een partijpolitiek instrument en een spiegel van onze binnenlands-politieke problemen.

De vraag is of 'beeldvorming' wel de juiste typering is voor dit geheel aan opinies en opvattingen. Niet de samenhang tussen de realiteit van de DDR en de beeldvorming blijkt het belangrijkste, maar juist de betrekkelijke waarde van enig verband is cruciaal geweest in de verkeerde beoordeling van de DDR. De DDR als harde realiteit werd domweg niet serieus genomen.

Het buitengewoon positieve oordeel van Lammers c.s. over de ontwikkelingen in de DDR was een minderheidsstandpunt en stond deels los van het algemene debat. Dat zijn houding wellicht toch gewoon anti-Duits was,blijkt uit het interview dat de auteur in 1995 met hem had: 'Het was niet diepgravend, het was gewoon preventief. Het bleven Duitsers. Ze kunnen de mooiste dingen voorspiegelen, maar morgen staan ze op de stoep. (...) Dat heeft niets met anti-Duits te maken, wel met behoedzaamheid'. Om te voorkomen dat de Bondsrepubliek of, in de ogen van links, het 'slechte Duitsland' plotseling op de Nederlandse stoep zou staan, zocht men alvast contact met het 'goede Duitsland', de antifascistische DDR. Beter had Lammers het 'annexatie-syndroom' dat in de Nederlands-Duitse verhoudingen al vanaf de negentiende eeuw voortdurend een rol speelt en dat versterkt was door de oorlog, niet onder woorden kunnen brengen.

Ook de reacties in de Nederlandse pers en van de Nederlandse ambassade in Berlijn op de revolutie van 1989-1990 lieten zien hoe gewend men was aan het bestaan van de beide Duitslanden en hoe diep de irreële angst zat dat de Bondsrepubliek ons landje weer zou overvallen. De kernvraag blijft echter onbeantwoord: heeft men niet, door de DDR te erkennen, tevens indirect meegewerkt aan de stabilisering van een regime dat vooral in zijn laatste fase uiterst totalitaire trekken vertoonde?

    • Frits Boterman