Middeleeuwse wortels van de nationale staat; De nabijheid van het verleden

Piet Leupen: Keizer in zijn eigen rijk. De geboorte van de nationale staat. Wereldbibibliotheek, 208 blz., ƒ 34,50

Er wordt wel geredeneerd dat er twee typen geschiedschrijvers bestaan. De antiquarische geschiedkundige is de personage die 'het verleden omwille van het verleden' bestudeert. Hij lijkt uit een ander ei te zijn gebroed dan zijn geëngageerde vakgenoot die het heden vanuit het verleden probeert te begrijpen. Naar het zich laat aanzien vallen historici die de Middeleeuwen bestuderen opvallend vaak in de eerste categorie. Hiervoor is wel een verklaring te bedenken. Met name in de vorige eeuw is het middeleeuwse tijdvak in uitersten geschilderd en hebben groeperingen van uiteenlopende politieke, religieuze of nationale gezindheid zich het tijdperk toegeëigend. Het is daarom begrijpelijk dat onderzekers in onze eeuw zich behoedzamer hebben opgesteld. Hun terughoudendheid heeft ertoe geleid dat de continuïteit met het middeleeuwse verleden grondig is verbroken.

Toch hebben de Middeleeuwen ons nog voldoende te zeggen. Dat lijkt althans de boodschap van de Amsterdamse mediëvist Piet Leupen. Terloops stipt hij aan dat de bouwstenen van de moderne staat - zoals de belastingplicht, de ambtenarij en het overheidsmonopolie op geweld - in de late Middeleeuwen zijn gelegd. En ook al is het een gangbare opvatting dat de Oudheid het vertrekpunt van de Westerse verbeelding is geweest, volgens Leupen dachten specialisten op het terrein van de staatkunde tot ver in de zeventiende eeuw, als zij Cicero of Aristoteles citeerden, minder aan de antieke stadstaat dan aan de middeleeuwse concepties van koning, parlement, paus of concilie. In Keizer in zijn eigen rijk analyseert de schrijver in trefzekere stijl en met grote kennis van zaken politieke ideeën vanaf de Volle Middeleeuwen tot ver in de Nieuwe Tijd. Af en toe trekt hij lijnen naar de actualiteit. Zijn boek is daarmee het beste bewijs dat het onderscheid tussen antiquarische en geëngageerde geschiedschrijving een vals dilemma is.

Keizer in zijn eigen rijk is een vervolg op Leupens vorige boek Gods stad op aarde. De studies vormen een tweeluik dat uitzicht biedt op het weidse en soms onherbergzame landschap van de Europese politieke theorie. Het is een bijzondere verdienste van de auteur dat hij het debat over de nationale staat, dat een exclusieve aangelegenheid van contemporaine historici was geworden, heeft teruggevoerd naar de Middeleeuwen.

In Gods stad op aarde was de hoofdrol toebedacht aan Augustinus. In de loop van de Vroege Middeleeuwen kregen diens ideeën een vertaling in het ideaal van de unitair-politieke christenheid, waar Kerk en staat in gedeelde verantwoordelijkheid werden geleid door paus en keizer. In het tweede millennium - de tijdspanne van Keizer in zijn eigen rijk - ging dit beeld scheuren vertonen. Het pausdom slaagde erin het keizerschap een plaats te geven temidden van andere wereldlijke heersers. Een fresco in de Spaanse kapel te Florence toont de primaat tegen de achtergrond van een basiliek die klaarblijkelijk verwijst naar de beroemde Dom van deze stad. De paus zetelt iets hoger dan de wereldlijke vorsten die ter linkerzijde van hem plaats hebben genomen. Weliswaar geniet de keizer enige voorrang omdat hij zich het dichtst in de buurt van de kerkvorst bevindt, maar hij troont niet hoger dan de koning of hertog naast hem. Het fresco representeert daarmee de situatie in de latere Middeleeuwen, toen het christelijk ideaal van één politiek gemenebest bleef gekoesterd (vooral door een keizer als Frederik II), maar het tezelfdertijd werd omgebogen naar territoria van begrensder omvang.

Een belangrijke factor bij deze ontwikkeling was de herontdekking van Romeinse wetteksten in grote delen van Europa. Vanaf de twaalfde eeuw beschikten geleerden weer over het volledige klassieke recht zoals dat was opgetekend in opdracht van keizer Justinianus (527-565). De receptie van deze rechtsregels betekende allereerst een versterking van de aanspraken van de (Duitse) keizer. Spoedig echter vonden bepalingen uit het Romeins recht toepassing op de territoria van koningen en andere heersers. Voortaan waande elke koning zich 'keizer in eigen rijk'. Dat gold voor kleinere territoria als de Italiaanse stadstaten of graafschappen als Holland en Vlaanderen. Graven, hertogen en stadscommunes beschouwden zichzelf eveneens 'keizer' in hun eigen gebied. De priester Galbert van Brugge beschreef de graaf van Vlaanderen als de vorst der Kerk - een echo van het oude ideaal op kleine schaal.

Op den duur deed zich een positiever opstelling tegenover de staat gelden. Augustinus immers had de heerschappij in negatieve termen gekenschetst als een noodzakelijk kwaad. De omslag werd bewerkstelligd door kennismaking met de politieke geschriften van Aristoteles. De Griekse filosoof meende dat de mens van nature een politieke gemeenschap nodig had als waarborg voor het algemeen welzijn. Aristoteles was een heiden en het wachten was daarom op een christelijk denker die een verzoening van het positieve recht - het door de overheid uitgevaardigd recht - met het christelijke geloof tot stand wist te brengen. Die persoon was Thomas van Aquino. Zijn opvatting dat politieke autoriteit afhankelijk is van de wil van de gemeenschap, maar alle macht uiteindelijk een goddelijke delegatie was werd pas na de Middeleeuwen aan het wankelen gebracht door staatkundige theorieën waarbij de grondslag van de staat als een contract tussen louter stervelingen werd voorgesteld.

Thomas meende ook dat de volmaakte politieke organisatie gebaseerd diende te zijn op één volk - een gedachte die tot op de dag van vandaag invloedrijk isgebleven. Nationale gevoelens of liever 'wij-sentimenten' komen in de hele Middeleeuwen voor. Bekend is de indeling in naties aan de universiteiten. Jacobus van Vitry verwoordde de nationale deugden en ondeugden van de studenten. De Engelsen waren in zijn ogen dronkenmannen, de Fransen verwijfde praalhansen, Duitsers ruwe wellustelingen, Brabanders bloeddorstige brandstichters en Vlamingen spilzieke gulzigaards. Dergelijke indelingen waren grof, want nog in de vijftiende eeuw werden bijvoorbeeld Zweden en Noren tot de Duitse natie gerekend.

Talloze filosofen, theologen, juristen en historici legden zich toe op de uitwerking van het nieuwe natie-concept waarbij staatkundige identiteit en natie moesten samenvallen. In de late Middeleeuwen wisten de Franse en Engelse vorsten de natie-ideologie handig uit te buiten. Regionale gevoelens werden daarbij tactvol en haast ongemerkt ingekapseld. De Franse kroonprins ging de titel 'dauphin' dragen die oorspronkelijk was voorbehouden aan de graaf van de Provence. En tot op heden voeren de Engelse troonopvolgers de titel 'prins van Wales'. Het is jammer dat Leupen voor de periode na 1700 spoorslags schot in de zaak zet. Zijn bespiegelingen, die het overdenken meer dan waard zijn, krijgen daardoor een wat vluchtig karakter. In een slotbeschouwing over de toekomst van de nationale staten brengt hij (in navolging van Hedley Bull) de notie New Medievalism ter sprake. De Europese Unie bijvoorbeeld, met haar loyaliteiten en soevereine rechten verspreid over talloze commissies en instellingen, doet steeds meer denken aan het unitair-universeel gemenebest van de Middeleeuwen, waar elke staat of heerser zijn autoriteit moest delen met enerzijds vazallen onder hem en anderzijds de paus of keizer boven hem. Hoe de veelkleurige Europese statenkaart er in de toekomst uit gaat zien kan niemand voorspellen. Maar de Middeleeuwen zijn misschien dichterbij dan men op het eerste gezicht zou denken.