'Kosovo' plaatst leger voor dilemma's

De Kosovo-crisis plaatst het Joegoslavische leger in een lastig parket. Het wordt door het regime-Miloševic niet vertrouwd. Het is het ook niet eens met Miloševic' Kosovo-beleid. En het staat aan de andere kant onder druk van de Montenegrijnen, leiders van nationale minderheden en ongeruste ouders.

ROTTERDAM, 26 JUNI. Nauwelijks is de reputatie van het Joegoslavische leger na de desastreuze oorlogen in Slovenië, Kroatië en Bosnië weer enigszins opgekalefaterd, of het raakt - tegen de zin van de legerleiding - verstrikt in een vierde oorlog die niet te winnen valt: Kosovo. Weer komt het tot boze betogingen van ouders die zich ongerust maken over het lot van hun zoons. Zo krachtig is de druk van de ouders dat het leger deze week speciale telefoonnummers ter beschikking heeft gesteld voor het contact tussen ouders en in Kosovo gelegerde soldaten en de ouders heeft verzekerd dat in Kosovo geen ongeoefende recruten, maar alleen soldaten met een afgesloten opleiding worden gestationeerd. “De generale staf begrijpt de zorgen van de ouders”, zo heette het deze week.

Ook de nationale minderheden in Servië maken zich ongerust. De minderheden willen niet betrokken raken bij wat algemeen wordt gezien als een Servisch-Albanees conflict. De Hongaren uit de noordelijke regio Vojvodina hebben massaal in Belgrado betoogd tegen de legering van etnische Hongaarse soldaten in Kosovo. Het buurland Bulgarije heeft Belgrado officieel laten weten “niet te accepteren” dat leden van de 50.000 zielen tellende Bulgaarse minderheid in Servië in Joegoslavisch legeruniform in Kosovo worden ingezet.

Ernstiger voor Miloševic en de legerleiding is het Montenegrijnse verzet. Het parlement van het door Miloševic' criticus Milo Djukanovic geleide Montenegro eiste op 17 juni in een resolutie de terugroeping van alle Montenegrijnse militairen die in Kosovo zijn gelegerd. “Voor de privé-oorlogen van Miloševic zullen we geen levens van Montenegrijnse soldaten opofferen”, zo zei president Djukanovic. Volgens het parlement van Montenegro is het Kosovo-beleid van Miloševic “in strijd met de principes van de VN en de conventie van de mensenrechten” en “een directe bedreiging van de vrede en de veiligheid van de Balkan”. Vijftien procent van de Montenegrijnse soldaten in het Joegoslavische leger is gelegerd in Kosovo.

De resolutie bracht de legerleiding in problemen, vooral omdat zij niet zelf soldaten op hun etnische achtergrond kan selecteren en kan terugsturen: dat kan alleen als een bevel daartoe komt van het hoogste defensie-orgaan van Joegoslavië, de Opperste Defensieraad, waarin beslissingen worden genomen door drie politici, de president van Joegoslavië, Slobodan Miloševic, en de presidenten van Servië en Montenegro. In die Opperste Defensieraad kunnen besluiten alleen unaniem worden genomen.

Deze opzet alleen al maakt het Joegoslavische leger voor Miloševic onbetrouwbaar in de kwestie-Kosovo: hij en zijn bondgenoot, de president van Servië, kunnen zijn Montenegrijnse criticus niet overstemmen. Maar door die opzet ondergaat het leger ook de Montenegrijnse resolutie als pijnlijk: ze is gericht aan het verkeerde adres, de Montenegrijnen moeten Miloševic aanspreken.

Daar komt bij dat de legerleiding in het geheel niet is te porren voor het Kosovo-beleid van de Joegoslavische leider. Toen Miloševic op 10 juni tijdens de zitting van de Opperste Defensieraad van legerleider Momcilo Perišic een duidelijker inspanning in Kosovo eiste, werd die eis door de generaal “in botte termen” afgewezen, zoals het blad Glas javnosti later wist te melden. Perišic, psycholoog van huis uit en met 53 de jongste legerchef van Joegoslavië in zijn geschiedenis, vindt dat het leger niet tussenbeide moet komen in politieke conflicten of in conflicten die binnen de competentie van de politie vallen, behalve als het land wordt aangevallen of als de grondwettelijke orde wordt geschonden.

Het leger wil zijn rol in Kosovo derhalve beperken tot de bescherming van de landsgrenzen. De legerleiding maakt dezer dagen dan ook bij voortduring duidelijk dat de strijdkrachten in Kosovo niet betrokken zijn bij “terrorismebestrijding”, dat wil zeggen de strijd tegen de Albanese separatisten en de etnische zuivering. Perišic weigerde al twee keer eerder het leger op Miloševic' bevel in te zetten: in de winter van 1996 toen het regime werd belegerd door dagelijkse demonstraties tegen de verkiezingsfraude van Miloševic, en in januari van dit jaar toen Miloševic met behulp van het leger graag de installatie van Djukanovic als president van Montenegro had willen verhinderen - maar dat niet kon omdat Perišic weigerde. En Miloševic kan zich niet simpelweg van de lastige Perišic ontdoen, omdat hij daarvoor in de Opperste Defensieraad de stem van Djukanovic nodig heeft.

De afgelopen jaren heeft Miloševic wegens zijn onvolledige controle over het leger hard gewerkt aan de opbouw van een 'alternatief' leger dat hij wèl volledig controleert: de politie. De politie is inmiddels uitgebouwd tot Miloševic' privéleger. Ze wordt beter betaald, beter bewapend en beter opgeleid dat de reguliere strijdkrachten en is Miloševic trouw. Ze is beter dan het leger uitgerust voor het bedwingen van opstanden en voor guerrillabestrijding en is voorzien van helikopters, pantserwagens en zware wapens. Het is dan ook de politie, bijgestaan door speciale para-militaire eenheden - samen gaat het om naar schatting 50.000 man - die in Kosovo het vuile werk van de etnische zuivering uitvoert. De doden aan Servische zijde vallen ook vooral bij de politie: het leger heeft de afgelopen maanden bij aanslagen door Albanezen slechts zes man verloren, de politie enkele tientallen.

Het 126.000 man tellende leger wordt al jaren verwaarloosd. Het krijgt uit de staatskas maar de helft van wat het nodig heeft. Het krijgt zelfs niet het geld waar het op grond van de begroting recht heeft en de schulden van het leger zijn inmiddels opgelopen tot meer dan 1,2 miljard dinar. Wat wordt betaald, wordt ook nog eens onregelmatig en met grote vertraging betaald.

Met uitzondering van het straatarme Albanië geeft geen land in Europa per hoofd van de bevolking zo weinig uit aan zijn strijdkrachten als Joegoslavië. De dienst in Kosovo is onder soldaten zeer impopulair: desertie is een probleem en de militairen zijn blijkens brieven en dagboeken die de afgelopen weken in onafhankelijke media zijn gepubliceerd, uiterst gedemoraliseerd.

Geen wonder dat het leger van Momcilo Perišic al enkele jaren ernstig te lijden heeft van een brain drain: officieren kunnen elders meer verdienen en stappen op. Al vóór de huidige Kosovo-crisis waarschuwde de legerleiding dat het aantal officieren dat ontslag nam in vergelijking met enkele jaren eerder was verzevenvoudigd.

    • Peter Michielsen