In 1920 had men geen ego; Het WNT, woordenboek der woordenboeken

Het WNT, het Woordenboek der Nederlandse Taal, is een weerbarstig monument. Het vorige week voltooide, meest onvangrijke woordenboek van het Nederlands - tussen de 350.000 en 400.000 woorden - bevat allerlei woorden niet. Om uiteenlopende redenen. En soms zonder reden.

Het Woordenboek der Nederlandse Taal wordt uitgegeven door de SDU. Losse katernen en boekbanden kosten plusminus ƒ 20,- per katern van 64 blz. Het geheel (40 banden) kost tussen de ƒ 15.000 en ƒ 20.000 (niet gebonden). De fotografische herdruk is niet meer te bestellen. CD-ROM ƒ 395,- (tot en met het lemma 'wrekend') te bestellen via de boekhandel.

Wat hebben het psychiatrisch ziekenhuis Dennenoord te Zuidlaren, de Akzo Research Laboraties en de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen in Nieuwegein gemeen? Hetzelfde als Hare Majesteit de Koningin en Hedy d'Ancona, Arie van den Berg en Dick Bor, Gerrit Komrij, Huub Oosterhuis, Rob Schouten, Atte Jongstra en Elly de Waard: zij allen zijn de bezitters van het Woordenboek der Nederlandsche Taal. Net zoals ik.

Samen met een dikke duizend andere taalgenoten staan wij in Deel I (A - Ajuin) vermeld als intekenaars op de fotografische herdruk van het toen nog niet eens voltooide 'grootste woordenboek ter wereld', een goedkope editie die de Sdu in 1993 begon uit te brengen.

Aan het WNT, dat het Nederlands vanaf 1500 behandelt, werd op dat moment al ruim 140 jaar gewerkt. Oorspronkelijk had men gedacht de klus in 25 jaar te klaren. Maar het zou tot 16 juni 1998 duren voordat de voltooiing werd bereikt met het woord 'zythum', 'een door gisting bereide drank'.

De woordenschat van het Nederlands is immens. Doordat we zo'n klein taalgebied hebben, denkt menigeen dat onze taal zelf ook klein is. Maar op een totaal van vierduizend talen in de wereld neemt het Nederlands toch maar mooi de vijfenveertigste plaats in. In het WNT, dat veertig dikke banden oftewel 45.805 pagina's beslaat, zijn maar liefst tussen de 350.000 en 400.000 woorden opgenomen. Een van de kortste is 'A', en de verklaring daarvan is een artikel dat vijfeneenhalve pagina beloopt. Zoek je 'voet' op, dan heb je ruim 54 pagina's lectuur voor de boeg: van ieder woord geeft het WNT de grammaticale kenmerken, de herkomst, de oorspronkelijke betekenis, de betekenissen die zich daaruit hebben ontwikkeld, het gebruik ervan in verbindingen, uitdrukkingen en spreekwoorden, afleidingen en samenstellingen. Voor de lemma's werd geput uit miljoenen citaten, gehaald uit bijna 10.000 bronnen, zowel literaire als niet-literaire.

Ter vergelijking: het grootste woordenboek van de Engelse taal, The Oxford English Dictionary, omvat twaalf delen, oftewel 15.487 bladzijden.

Ofschoon het WNT doorgaans vooral studiedoeleinden dient, is het in zijn ontzagwekkende onuitputtelijkheid ook het droomwoordenboek van hen die bezeten zijn van taal. Om je deze passie te kunnen veroorloven, moet je wel ruim behuisd zijn.

Ik herinner me nog goed mijn paniek toen de dozen boeken arriveerden. Ik had tamelijk argeloos ingeschreven, want nooit een universiteit bezocht en dus niet op de hoogte van de goddeloze omvang van dit monstrum. Na het uitpakken van de vijfde doos belde ik naar de dader, het Instituut voor Nederlandse Lexicologie in Leiden, om eens te vragen wat mij verder nog boven het hoofd hing. Het geheel, antwoordde men, zou toch gauw zo'n tweeëneenhalve meter boekenkast beslaan.

Ruimtevreter

Ik pakte mijn dozen uit en voelde me volslagen overrompeld door het WNT. Deze relatie is in de loop der jaren niet wezenlijk veranderd. Nu de ruimtevreter vorige week eindelijk werd voltooid, ben ik er nog steeds door onthutst - en dat eens te meer als ik kijk naar de andere naslagwerken in mijn kast.

In de jongste editie van de Grote Winkler Prins Encyclopedie is in 26 delen (inclusief registers en Euroscoop) de gehele geschiedenis van de mensheid samengebald, van aambeien tot en met Zarathoestra - en hoe je zijn naam bij voorkeur spelt, dat kan ik even controleren in mijn Groot Lexicon van Eigennamen. Dat laatste werk beslaat één deel, net zoals The World Guide to Gnomes, Fairies, Elves and Other Little People, voorwaar toch geen gering terrein. Mijn Met de heiligen het jaar rond omvat twee delen, dat is waar, maar mag het even? Ik bezit A Dictionary of Symbols, Harpers Encyclopedia of Mystical and Paranormal Experience, de vuistdikke uitgave Loquela, waarin de taal van Guido Gezelle in lemma's is vervat, ik heb het woordenboek Koro, dat gaat over algemeen bekende gevoelens waarvoor niet in elke taal adequate termen bestaan (Koro, Chinees zelfstandig naamwoord: de hysterische overtuiging dat je penis steeds kleiner wordt), ik heb de rijkelijk geïllustreerde Dictionary of Imaginary Places en een uitgave van het Oude en Nieuwe Testament, in een Prisma-uitgave. En ik heb nog veel meer.

Waarschijnlijk tekende ik dus vooral in op het WNT omdat dingen naslaan mijn liefste hobby is.

Het leven komt me vaak voor als een duistere en gecompliceerde affaire, en dan kan de moed me ontzettend in de schoenen zinken. Even rustig wat bladeren in Nederlandse Spreekwoorden, Spreuken en Zegswijzen helpt: er komt weer orde in de chaos. Als je midden in de nacht wakker schrikt en het hoofd moet bieden aan krokodillen onder het bed, kun je echt opfleuren van Het Juiste Voorzetsel: 'leiden: een kind aan de hand, een paard bij de toom. Deze weg leidt naar de stad. Iemand om de tuin leiden. Leiding geven aan jongeren. Onder (van een dirigent, b.v.). De leiding hebben over iets.

Menige nacht kan men mij waarnemen, Roget's Thesauris raadplegend, of Pyttersen's Nederlandse Almanak, en in mijn diepste inzinkingen het Groot Citatenboek van Kosmos ('Hij die slaapt voelt geen kiespijn', W. Shakespeare, Cybeline).

Voor ons slapelozen is het WNT de oplossing. Je komt er van je levensdagen niet doorheen.

Sisyphus-karwei

Als woordenboek wordt het WNT wel eens onevenwichtig genoemd, en dat is geen wonder. Sedert de Leidse hoogleraar Matthias de Vries in 1851 het ontwerp voor het WNT voorlegde aan het Letterkundig Congres, hebben vijf achtereenvolgende redacties er generaties lang aan gezwoegd, en werd het uitgangspunt een aantal keren bijgesteld. Met ieder jaar dat de bewerking langer duurde, schoof bovendien het 'heden' onvermijdelijk mee op, en op een zeker moment zag het er naar uit dat dit Sisyphus-karwei tot het einde der tijden zou voortduren, aangezien een taal nu eenmaal voortdurend verandert, zich verjongt en uitbreidt. Om paal en perk aan het project te stellen, werd in 1976 besloten voortaan een eindgrens voor het bronnenmateriaal te hanteren: woorden van na 1921 werden niet meer opgenomen.

Aangezien het WNT in afleveringen werd uitgebracht, ontstond de idiote situatie dat een aflevering uit 1975 nog het hele tijdsbestek van 1500 tot 1975 bestrijkt, maar de afleveringen daarna slechts tot 1921 reiken. Zulke tegenstrijdigheden behoren tot de charmes van het WNT: het heeft z'n eigen weerbarstige logica, die vaak labyrintische vormen aanneemt omdat er ook nog eens in niet-alfabetische volgorde aan het woordenboek is gewerkt en de indeling in tijdvakken voor de gebruiker dus elk systeem lijkt te ontberen.

Naar woorden zoals 'yuppies' of 'zappen' zoekt men in het WNT tevergeefs. Ook ontbreken de woorden die opdoken nádat de aflevering waarin zij thuishoorden al was verschenen, zoals 'televisie'. Een modern woord als 'research' daarentegen, is wel opgenomen, eenvoudig vanwege het moment waarop de redactie het bewerkte.

Daarnaast zijn er helaas ook gewoon domme fouten gemaakt. In vakkringen wordt al jaren gegniffeld over het feit dat 'februari' als enige van de twaalf maanden ontbreekt. Nog onlangs wees Ewoud Sanders er in deze krant op dat de omissies 'Belg' en 'Belgisch' wel erg pijnlijk zijn, aangezien het WNT mede door België is gefinancierd, en er ook Vlaamse redacteuren aan meewerkten. In 1999 hoopt de redactie evenwel 25.000 tot 30.000 van dergelijke lacunes te hebben weggewerkt met de publicatie van drie delen 'Aanvullingen'.

Bij de gedachte ga ik al watertanden. Dit is waarlijk een bron die nooit opdroogt. Anderzijds vind ik die lacunes nu juist ook zo leuk. Gebenedijde momenten zijn het, als je bijvoorbeeld ineens ontdekt dat een doodgewoon woord als 'ego' ontbreekt. Snel de handleiding erbij. Ego bevindt zich in Deel III (C - Fuut), waaraan gewerkt werd in de periode 1908-1920. Dat betekent dus dat het populaire concept van een ego, zoals het later tot volle wasdom zou komen in het zogeheten 'ik-tijdperk', in 1920 domweg nog niet bestond. Hele werelden, waarover langdurig te mijmeren valt, openen zich plotseling bij dit inzicht.

Of neem 'ficus', een kamerplant waarmee hedentendage menige wachtkamer wordt opgefleurd: die hadden ze in 1920 blijkens het WNT nog niet. 'Begonia' kom ik al evenmin tegen. 'Geranium' ook niet. Het lijken zulke tijdloze planten. Hadden onze grootouders dan niets op de vensterbank staan? Of heel andere soorten dan nu? Hoe moet ik mij dat voorstellen? Hoe zagen die huiskamers er uit? Snel dus naar de K van 'kamerplant'. En jawel. “Plant welke zich in de kamer laat kweeken; welke men in de kamer kweekt.” Dan volgt een meesterlijk verklarend citaat: “Op de bovenwoningen huisden meest oude jongejuffrouwen, die voor de ramen eenige kwijnende kamerplanten verzorgden. (J. ten Brink, Romantische Werken, 13 delen, Leiden, 1885-1886).”

Ik zie ze zitten, die oude jongejuffrouwen, thans een uitgestorven ras, toen blijkbaar standaard verbannen naar bovenwoningen, met geen ander gezelschap dan wat groen dat nog kwijnde ook. Misschien vonden getrouwde vrouwen in die dagen dat kamerplanten stofnesten waren. Op nu naar de S. Nee, 'stofnest' moet een woord van mijn moeders lichting zijn. 'Stofdoek' tref ik wel aan, en 'stoftijd': 'een kleine schoonmaak in September of October'. Nooit van gehoord. Zelfs de grote voorjaarsschoonmaak was al bijna ter ziele toen ik een kind was. Wat een heerlijke inkijkjes in het Hollandse binnenhuis van weleer biedt het WNT!

Hip

Om die en nog andere redenen is het WNT alleen al cultuurhistorisch van onschatbare waarde. Daarnaast is het, ondanks zijn mankementen, ook een onmiskenbaar monument voor de Nederlandse taal. Door andere woordenboeken, zoals Van Dale, Koenen en Kramers wordt er zwaar uit geput, reden waarom het WNT wel 'de moeder van de woordenboeken' wordt genoemd.

Sedert 1995 is er ook een cd-rom-versie verkrijgbaar, van het tot dan toe voltooide gedeelte. Dat is natuurlijk wel hip, maar het Woordenboek der Nederlandsche Taal bedient zich nog van de Spelling De Vries-Te Winkel, en die kan ik me eenvoudig niet op een computerscherm voorstellen. Bovendien zijn ze daar in Leiden zelf ook nooit aan de computer toegekomen: tot op de dag van vandaag werkt de redactie met kaartenbakken. Het lijkt me ronduit heerlijk om 's ochtends naar je werk te gaan en je dan fysiek te omringen met woorden, woorden en nog eens woorden.

Aan deze oceaan van woorden heb ik er onlangs persoonlijk nog een mogen toevoegen, een feit waarop ik niet weinig trots ben. De Stichting Natuurmonumenten voert op het ogenblik actie voor het behoud van een inheemse hamster, de korenwolf genaamd. De korenwolf is een klein, levendig knaagdier met een opvallende roodbruine pels. Korenwolf? Wat een eigenaardig woord, verontrustend en toch ook huiselijk. Mijn hand strekte zich al automatisch uit naar Deel VII (Keurmeester - Kozijn), voltooid in 1941. Maar dat was gek: geen korenwolf te bekennen. Bestonden er nog geen korenwolven in 1941? Meteen gebeld met Natuurmonumenten. Het hele punt, zei men daar, is nou net dat het in het begin van de eeuw nog stikte van de korenwolven en zij thans met de ondergang worden bedreigd. Over de etymologie van het woord kan volgens de stichting geen twijfel bestaan: het is afkomstig uit het Limburgse dialect, waarin het werkwoord 'wolven' zoiets betekent als 'het opschrokken van voedsel'. Die hamster zat daar dus gewoon de korenvelden kaal te knagen.

Tot mijn genoegen vond ik 'wolven' in die betekenis terug in het WNT. Ook stuitte ik op 'wolfsel', een eveneens Limburgse term voor een bundel bijeengeharkte graanhalmen, alweer afkomstig van 'wolven', maar dan in de betekenis van 'op het stoppelveld naharken'.

Het stond meteen buiten kijf dat de korenwolf in deze context niet mocht ontbreken. Dus een telefoontje naar het Instituut voor Nederlandse Lexicologie om deze tip door te geven voor de komende drie delen 'Aanvullingen'.

“We hebben nu al genoeg om tien extra delen te vullen”, zei een wat vermoeid klinkende redacteur. “Uit al dat materiaal zal door een selectiecommissie een keuze gemaakt moeten worden. En denkt u er wel aan dat we voor de bronnen ditmaal 1976 als eindgrens hebben gesteld.”

Aha, dacht ik: 'maanlanding' zou er dan vast in komen, 'nozem', 'gastarbeider', 'anticonceptiepil', 'krakers' en 'feminisme'. En misschien zou over een tijdje het plan worden opgevat voor nog meer supplementen, met als eindgrens bronnen uit 2005. Maar ik moest nu niet te gretig zijn. De korenwolf ging vóór, dit was misschien zijn laatste kans. Over een inheems dier moesten toch citaten van vóór 1976 bestaan?

Nou vooruit. De redacteur beloofde me er bij de commissie op aan te dringen 'korenwolf' een voorkeursbehandeling te geven.

Het is natuurlijk maar een druppel in de ziedende zee van het WNT, maar toch. Niemand kan nu meer zeggen dat ik mijn plek onder de zon niet heb verdiend.

    • Renate Dorrestein