Het kruipend gedierte des aardbodems; De liefde tot amfibie en reptiel

Het geluk werd voor de jonge Jan Wolkers vertegenwoordigd door smaragdhagedissen, vuurpadjes en boomkikkers. Al zijn verlangen richtte zich op Vivarium Stol te Leiden. “Terwijl mijn moeder een beetje stond te griezelen om al dat gewriemel was het of ik aan de poorten van het paradijs was terechtgekomen.”

Het is een hele tocht door je geheugen om te achterhalen waar je fascinatie voor reptielen en amfibieën vandaan komt, schepselen die in de Bijbel in Genesis het kruipend gedierte des aardbodems worden genoemd, een formulering die dichter bij vertrappen dan bewondering ligt. Mijn liefde voor die glibberige dieren zat er al zo vroeg in, dat mijn vader, die nou niet direct bekend stond om zijn geestige opmerkingen, vooral niet als het het woord Gods betrof, een keer opmerkte, nadat hij uit Exodus 8 had voorgelezen over de kikvorsen die bij honderdduizenden tot in de bedden van de Egyptenaren doordrongen: 'Dat zou voor Jan geen plaag zijn'. Waar andere jongens marmotten, een poes of een schurftig hondje hadden, warmbloedige troeteldieren waarbij je lekker met je vingers door hun vacht kon kammen en die je soms uit aanhankelijkheid een lik over je neus gaven of een ferm kopje, daar zat jij met koudbloedig gedierte dat geen enkele genegenheid voor je toonde en zich bij je komst zo snel mogelijk wegrepte in de duisternis van de vegetatie in je terrarium. En dat bovendien, als de eerste kille herfstnevels verschenen, zich voor minstens een half jaar terugtrok uit de bovenwereld. Liep je met een konijn op je arm dan had je al snel een aantal meisjes om je heen die het diertje wilden aaien zodat je kon meeprofiteren van de spitse strelende meisjesvingers. Maar kwam je met een kikker in de hand aanzetten dan rilden ze van afschuw en zetten ze het met gilletjes op een lopen, wat wel te denken geeft. Van beide kanten, want ook ik genoot er zichtbaar van. Toch heb ik me nooit schuldig gemaakt aan exhibitionisme. Op die leeftijd houd je bepaalde kikkers vooralsnog het hele jaar in winterslaap.

Het had ook te maken met de avontuurlijke plotselinge ontmoeting, want het waren de eerste dieren in het wild die je leerde kennen. Als je zelf amper boven de tafel uit komt is de verschijning van een grote bruine kikker die met kloppende keel tussen het zevenblad zit een bijna adembenemende belevenis. Het was of je een verborgen schat vond die ineens uit zijn roerloosheid met grote sprongen verdween.

Overal worden padden, kikkers en salamanders ingesloten door de ongebreidelde bouwlust van de mens. Zo liep vroeger onze tuin uit op een sloot en weilanden, maar tegen de tijd dat ik zelf als kleuter in mijn eentje naar buiten mocht was dat groene verschiet verdwenen. Had het plaats moeten maken voor de bakstenen muur van een garagebedrijf die alle tuinen hermetisch afsloot. Het kruipend gedierte dat niet bij de bouwwerkzaamheden met sloot en al ondergespit was, zat voorgoed gevangen tussen wanden van metselwerk. Gelukkig waren er in sommige tuinen, van buren die niet zo onbezonnen de schoffel en hark door de grijze aarde haalden als mijn vader en die wat wilde planten op hun stukje grond duldden, poelachtige vijvertjes met kikkerbeet en waterranonkel waarin de voortplanting kon plaatsvinden, zodat ik mijn hele jongenstijd heb kunnen genieten van steeds weer nieuwe generaties kleine watersalamanders en bruine kikkers die, tot waar de sintels iedere beschermende groei van onkruid onmogelijk maakten, in onze brandgang doordrongen.

Toen ik wat ouder was en zelfstandig de omgeving van ons dorp ging verkennen, kwam ik al gauw met een aantal padden thuis die ik zo vertroetelde dat mijn zusters het huiverend aanzagen en zeiden dat mijn handen onder de wratten zaten omdat ik die griezels gewoon op mijn handen liet pissen alsof er limonade uit kwam. Dat ik zelf bijna een pad was. Maar vooralsnog was er geen prinses die de huid van mijn ruwe wrattige jongensknuisten met een kus kon veranderen in een prinselijk blauwdooraderd velletje. Ik bestreed die knoestige uitwasjes door ze met de wattige binnenkant van tuinbonendoppen in te wrijven. Wat ook een soort kikkerzoenen leek.

Kraantje Lek

In het midden van de jaren dertig kreeg ik het Verkade-album Zeewateraquarium en Terrarium van een oom van mij, een blozende pafferige vrijgezel, die erg op mij gesteld was vanwege mijn bezetenheid voor het kruipend gedierte, maar die iets te vaak zei, als we ter reptiel en amfibie trokken, dat hij even een plasje moest plegen. En dat was om de dooie dood geen paddepis. Dat hij mij ook nog een keer meegenomen heeft naar een uitspanning in Wassenaar die Kraantje Lek heette, geeft reden tot overpeinzen en doet de psalmregel in mij opkomen Waarmede zal de jongeling zijn pad, Door ijdelheên omsingeld, rein bewaren.

Maar dat album was schitterend. Ik was er niet uit weg te slaan. De smaragdhagedis die als een groene kronkel over het albumplaatje golfde. Ik zat er vaak zo intens naar te kijken alsof ik hem tot leven wilde wekken, waardoor mijn broer spottend opmerkte: 'De smachthagedis'. Het roodbuik vuurpadje in schrikhouding, op zijn rug, zo vurig, alsof je je vingers aan hem kon branden. Hij leek inderdaad op een schepje uit de asla nadat het vuur opgerakeld is en er antraciet gloeit tussen de sintels. Maar het mooist van alles was de boomkikker waarover geschreven stond: Met zijn groen ruggetje, geelachtig wit buikje en zijn mooie diepzwarte zijstreep, maakt het een bevalligen indruk. Helaas kwamen ze alleen in het zuiden en oosten van ons land voor, dus zo'n groen juweel zou ik wel altijd blijven missen, en nooit zou ik zijn geluidsblaas aan de keel zien opzwellen als een galappeltje, wanneer het zijn schelle, ratelende stem verheft, zoals in het album stond.

Tot ik een keer met mijn moeder op zaterdagavond mee mocht om boodschappen te doen in Leiden. Ze moest ook op de Nieuwe Rijn zijn bij de papierhandel van Paddenburg, een naam om je fantasie op hol te laten slaan. Maar er waren slechts planken met stapels doods en geduldig papier in allerlei maten en bruine papieren zakken voor de kleinhandel. Mijn moeder kocht er voor onze winkel grauwe puntzakken waar in grote donkerblauwe letters ZOUT en SODA op gedrukt stond, die ik in een groot pak bij elkaar gebonden moest dragen, het scherpe touw snijdend in mijn vingers. Toen we terugliepen om over de Korenbeurs naar de tram te gaan, stond ik ineens oog in oog met wel twintig terraria in de etalage van Vivarium Stol. Hazelwormen, adders, opgerold als drollen, muurhagedissen in alle variëteiten, ringslangen en moerasschildpadjes. Voor het eerst van mijn leven zag ik het hele album in levenden lijve. En daar, in een hoekje van een van de terraria, tegen het glas gedrukt alsof ze geplakt waren, zaten ze. Drie onder elkaar. Zo groen als eendenkroos. Terwijl mijn moeder een beetje stond te griezelen om al dat gewriemel was het of ik aan de poorten van het paradijs terechtgekomen was en ik stelde me voor dat op die puntzakken geen zout of soda gedrukt stond maar HAZELWORMEN, HAGEDISSEN en natuurlijk BOOMKIKKERS, en dat ik maar de winkel in hoefde te gaan om ze te vullen en thuis van mijn armelijke terrarium met maar een enkele pad en kikker een vijfde scheppingsdag te maken met al het kruipend gedierte des aardbodems naar zijn aard. En dat God zag dat het goed was.

Een kwartje

Niet lang daarna hoorde ik dat die boomkikkers een kwartje per stuk kostten en dat je ze mee kreeg in een klein rond spanen doosje waar ze maar net in pasten, waarin ze klem zaten als een ping-pong balletje. Maar ja, een kwartje. We waren nog ver af van de tijd dat de jeugd zich achteloos een paar Nikes aanschaft voor het bedrag waar je in mijn jeugd zoveel boomkikkers voor had kunnen kopen dat je er een hele woonwijk in Cairo mee zou hebben kunnen ontvolken. Ik heb mijn oudste broer een keer onder tranen hartstochtelijk proberen over te halen om mij een kwartje te geven om zo'n gevuld spanen doosje te kopen. Hij bleef halsstarrig weigeren ondanks de brandende blik waarmee ik hem belaagde. Ich meint, es müsst in meinen Augen stehn, Auf meinen Wangen müsst man's brennen sehn. Tot op de dag van vandaag zou ik precies de plaats kunnen aangeven waar dat hartstochtelijk gesoebat plaats vond. Aan het einde van de hoofdlaan door de Leidse Hout die uitkwam op de Maredijk, want dat was het keerpunt. Linksaf ging je boomkikkerloos naar huis, rechtsaf kwam je in Leiden met als einddoel Vivarium Stol. Nu is er een verkeersweg die iedere jongenstraan met uitlaatgassen zou verdelgen.

Op tien mei 1940 zou ik dan eindelijk een paartje boomkikkers gaan kopen, want eenzaamheid moet ook voor een koedbloedig dier treurig zijn. Met koperpoetsen, waar ik vijf cent per keer voor kreeg, had ik het benodigde geld bij elkaar gespaard. Het was net of ik het groen, dat ik met Brasso van het metaal had gepoetst, weer in huis ging halen in kikkervorm. Maar al in de vroege ochtend vlogen de granaten van de artillerie over ons dak richting Vliegveld Valkenburg waar de Duitsers parachutisten hadden uitgestrooid. Hoewel we in oorlog waren ging ik op weg naar Vivarium Stol in Leiden. Door menigten mensen die op de hoeken van de straten samenschoolden en legereenheden die op weg waren om het vliegveld te heroveren. Maar op de Nieuwe Rijn was Vivarium Stol zoals de meeste winkels gesloten. Ik kocht toen voor het geld een zaklantaarn die net in de handel was, alsof ze wisten dat de oorlog zou uitbreken. Voor het glas kon je met een knopje een cirkeltje mica schuiven zodat je in verband met de verduistering in het donker met een lijkenlichtje kon rondlopen zonder dat je de aandacht van vliegtuigen trok.

Door de spanning tijdens de bezetting en mijn studie aan de Leidse Schilder- en Tekenacademie raakten de boomkikkers en aanverwant gedierte volledig op de achtergrond. Hoewel ik dagelijks in Leiden kwam liep ik nog maar zelden langs Vivarium Stol, dat trouwens aardig verslofte want de mensen hadden wel wat anders aan hun hoofd dan terraria te onderhouden. Hoewel ik tijdens de oorlog bij de weinig sprankelende kleur van uniformen nooit gedacht heb aan het groen van boomkikkers, waarvan de huid soms kon wrinkelen als een slecht bevestigd plakplaatje, kwam die gedachte even na de bevrijding bij me op. Toen ik een oud Amerikaans tijdschrift in handen kreeg waarin een reclame stond voor het sigarettenmerk Lucky Strike. Omdat het Amerikaanse leger voor de camouflage van hun oorlogsmaterieel alle groene pigment nodig had, werd het van hogerhand verboden de pakjes sigaretten nog langer groen te maken. Om de kopers aan het veranderde uiterlijk te laten wennen was er in die advertentie een wit pakje afgebeeld met eronder Green is in the war. En toen moest ik even denken aan de boomkikkertjes die volkomen uit mijn gezichtsveld verdwenen waren. Ik had ook geleerd, door het vele buiten tekenen en schilderen, de dieren op hun beloop te laten. Want als je in het bos zat te werken en er kwam een pad langs liet je het diertje onaangeraakt passeren. Het werkt trouwens niet zo goed met houtskool of krijt met een natte hand.

Mokkel

Toch heb ik me nog één keer tijdens de oorlog door het kruipend gedierte des aardbodems in de luren laten leggen, of misschien is een vroegtijdig vaderschap me er wel door bespaard gebleven. Een meisje uit de Donkersteeg, een vroegrijp renoiresk mokkel, was zo verliefd op me dat ze vond dat het nou maar eens moest gebeuren. Zij in een roze zomerjurk die klokte als een bloemkelk om haar benen en ik met van het krijt en de verf schoongeboende handen - wratten had ik toen allang niet meer - liepen we hand in hand als Romeo en Julia over met populieren bezoomde landwegen en langs de Haarlemmertrekvaart naar Warmond. Daar, in de schaduw van de ruïne, vlijden we ons zoenend in het gras neer. Zo verdomd lieflijk en zonder hulp van een filmregisseur. Toen mijn hand langs haar dijen omhoogging en ik even opkeek hoe het nou zat met die ingewikkelde meisjeskleren zag ik ineens een pad tussen haar benen zitten, een beetje in elkaar gedoken door die plotselinge roze wolk. Maar dat was geen gewone pad! Dat was een rugstreeppad, die ik nog nooit gezien had. Ik sprong meteen op en pakte het diertje, en zij sprong ook op met een gilletje toen ze zag wat ik in mijn hand had en om de paddenpis die tussen mijn vingers door droop. Meteen was de lust, om te vrijen geblust, zoals Piet Paaltjes dichtte. Waarmee ik geenszins wil beweren dat liefhebbers van reptielen en amfibieën gedoemd zijn tot een vrijgezellenbestaan.

Toen we zeventien jaar geleden op Texel kwamen wonen aan de rand van de staatsbossen en de duinen, in een huis met vierduizend vierkante meter onbedorven terrein er omheen en een grote oude poel, hadden we alleen maar meikikkers, mooi getekende dieren met chocoladebruine vlekken en goudbruine strepen over de rug. Ik denk dat de poel, die gedeeltelijk door geboomte omringd is, te donker was voor de rugstreeppadden. De afgelopen winter heb ik een tweede poel laten aanleggen op een open stuk. Helder drangwater uit de duinen kwam op de zanderige bodem te staan. En van het voorjaar hoorden we ze ineens kwekken, de rugstreeppadden. Het duurde niet lang of er zaten honderden paddevisjes in. Als die allemaal tot wasdom komen kom ik rijkelijk in de padden te zitten. Een paar keer per dag loop ik van mijn werk er even naar toe om te zien hoe ze krioelen in het zonbeschenen water. Er zijn niet zo veel manieren om gelukkig te zijn. Dit is er één van.

    • Jan Wolkers