Een glas port

Ik draaide het nummer van de heer Horne op Château du Basty. Er meldde zich een vrouwenstem. Ik maakte me bekend, zei dat ik buitenlander was, onlangs hier gevestigd, in de buurtschap 'Les Babots', dat ik nieuwsgierig was naar de geschiedenis daarvan en dat mij de naam genoemd was van de heer Horne als deskundige. “Een ogenblik, blijft u aan de lijn”, zei ze vriendelijk. En toen, zachter: “Het is voor jou.”

Zijn stem klonk bedachtzaam en vastberaden. Ik deed mijn verhaal opnieuw. “Geen probleem”, luidde het spontaan. En hij stelde een afspraak voor: de volgende ochtend, bij hem op het kasteel. “Belt u maar aan de poort”, zei hij huiselijk. De volgende ochtend ging ik te voet over het bospad en langs de wijngaard naar het kasteel. Daar stond ik voor de poort. Ik bedacht me dat hier in de veertiende eeuw de Engelsen hadden gestaan, in de Honderdjarige Oorlog, op weg naar Sarlat om daar het beleg te slaan. Men weet immers waar zij onderweg zijn geweest, zoals in Thenon en Fanlac. Maar welkom waren zij toen niet. Ik belde aan.

Uit de intercom naast de zware gotische poort klonk: “Een moment alstublieft, ik kom er aan.” Het was duidelijk, ook hier had nivellering toegeslagen. Geen knecht in livrei, maar le sieur lui-même die de deur open doet.

Even later stond hij voor me, ongeveer zoals ik had me had voorgesteld. Een bedachtzame veertiger met goed onderhouden baard en geruite blazer. Of ik tijd had voor een korte ronde. Natuurlijk, niets liever dan dat. We liepen door de poort en kwamen in de tuin van het kasteel: grindpaden tussen brede gazons met rozenperken.

Ik zag meteen dat het oorspronkelijk middeleeuwse kasteel grotendeels verwoest was, vermoedelijk na de revolutie van 1789, op last van de 'sociétés populaires', de volksgenootschappen. De oorspronkelijke donjon was vervangen door een renaissancistisch landhuis met hoge ramen. Hij ging me voor op een ronde langs de balustrade die op de rand van de steile rotswand is gebouwd.

We wisselden beschaafde algemeenheden ter kennismaking. Intussen lichtte hij het uitzicht toe over het dal van de Laurence: met de tijd waren wegen verlegd, daar en daar hadden watermolens gestaan, van de oprijlaan waren de platanen nog aanwezig. We daalden een trap af en belandden in ondergrondse gewelven, die dienden als opslagruimte voor de wijn op fust, maar die vroeger andere functies hadden gehad.

“Maar nu”, zei hij, “over les Babots”. We klommen weer omhoog, liepen over het bordes, door een tuindeur en kwamen in een vertrek met donkere boekenkasten, twee leren clubfauteuils aan weerskanten van een lage open haard met brandende houtblokken erin. Wij namen plaats bij het vuur.

“Al wat ik u vertellen kan, komt voort uit de mondelinge overlevering van mensen die ik heb gekend”, zei hij glimlachend. “De buurtschap les Babots was vanouds een pleisterplaats voor de postkoets. Die kwam, met paarden bespannen, aan bij 'le Moulin de la Roche', de huisjes die ik u zoëven heb aangewezen. Daar werden de paarden uitgespannen en vervangen door runderen en ossen. Die trokken de zware wagen over de heuvelrug door het bos naar 'les Babots', waar halt werd gemaakt voor een vertreding, een maaltijd, misschien een overnachting. Dit, wat ik u zeggen kan, is niet veel, maar wel een basis voor nader onderzoek waarbij het archief van de prefectuur in Périgueux u wellicht verder kan brengen.”

Hij maakte een gebaar met zijn handen dat zoveel zeggen wou: dat was het. Voordat ik hem kon antwoorden zei hij: “Maar wacht, ik vergeet iets, het is elf uur. Tijd voor het aperitief. U neemt toch wel een glas port met mij?”

Hij stond op, plaatste tussen ons een notenhouten guéridon en daarop weer twee bolvormige glaasjes met lange steel, die werden gevuld vanuit een kristallen karafje. We toastten op onze gezondheid. “De volgende keer”, vervolgde hij, “zal ik u iets bijzonders laten zien, een geheime woning, veertig meter diep in de rots onder dit huis. Ik ben ervan overtuigd dat de toenmalige bewoners daar hebben geschuild voor de revolutie.” Hij keek me verlegen aan. “Zeker weten doen we het niet.”

Nu stond ik echter op om afscheid te nemen. Het aperitief immers was een stil teken geweest van de nadering van het uur van het déjeuner, de hoofdmaaltijd in dit land en een sacraal, intiem moment waartoe weinigen worden toegelaten. Ik nam afscheid en dankte mijn gastheer voor zijn tijd en zijn moeite. “Je vous en prie”, zei hij, het was niets, en bij de poort gekomen: “À bientôt.”