Een gekooide rebel

Brigitte Reimann: Ich bedaure nichts. Tagebücher 1955-1963. Aufbau-Verlag, 428 blz. ƒ 55,80

Brigitte Reimann: Alles schmeckt nach Abschied. Tagebücher 1964-1970. Aufbau-Verlag, 463 blz. ƒ 61,60

'Ik ben jong, ik ben zinnelijk en snel ontvlamd, en ik ben vreselijk bang voor het ouder worden. Waarom zou ik dan niet van mijn leven genieten? Over tien of twintig jaar is alles voorbij - als ik niet zelfs al eerder sterf.' Brigitte Reimann was twintig toen zij dit schreef en vóór haar veertigste, in 1973, stierf ze. Haar lichaam was niet alleen weggevreten door kanker maar ook door wodka en sigaretten, door mannen en een manische dadendrang. In een land dat ingericht was voor tuinkabouters had zij als een furie geleefd.

De DDR beknelde haar en gaf haar energie; wanhoop zette haar aan het schrijven en dreef haar in andermans armen. Brigitte Reimann had altijd grote emoties, zo blijkt uit haar dagboeken. Ze bekritiseert daarin meer dan eens haar triebhafte Natur en de mateloosheid van haar verlangens, maar telkens besluit ze haar overpeinzingen met de formule: 'Het is zinloos om je ertegen te verzetten'. En waar ze schrijft: 'Ik heb me weer eens laten gaan' is dat nooit zonder een zekere trots. Haar onbezonnenheid brengt haar immers naar een wereld waarin ze graag wil vertoeven. In die wereld verheffen oprechtheid en leugenachtigheid elkaar tot een extatische toestand waarvan de heerlijkheid alleen bedreigd wordt door de angst voor het einde.

Dat einde huist al in het begin: iedere liefde loopt bij Reimann stuk en elke hoop vervliegt. Dus zit er niets anders op dan steeds opnieuw verliefd te worden en steeds opnieuw te hopen: op een beter huwelijk of een mooiere DDR, of, waarom niet, op allebei.

Vier keer is Brigitte Reimann getrouwd geweest; ze had een duizelingwekkend aantal minnaars en ze vrat hen met huid en haar. 'Vandaag heb ik hem weer vreselijk toegetakeld: [-] met elke beet drijf ik mijn sadistische razernij verder op, het is een krankzinnig verlangen te doden'. Eén keer deed ze een echte moordpoging, met een echt mes; de andere keren vloeide het bloed slechts in haar fantasie. Eén keer probeerde een man haar te wurgen; de andere keren behandelden de heren haar teder. Onvoorwaardelijke overgave eiste Reimann van haar partners - en sommigen vonden dat angstaanjagend omdat het hun aan een omkering van de rollen deed denken, aan onderwerping inplaats van overheersing. Schuldbewust schrijft Reimann over de 'ziekelijke emancipatiedrift' die haar ertoe dwingt haar mannen te kwetsen, te kwellen, hen van haar af te trappen. Ze wil in geen geval zelf het onderspit delven en dat geldt ook voor haar relaties met Staat en Partij.

'Met de Stasi moet ik Schluss machen', schrijft ze in 1958. 'Het gaat niet anders, ze hebben geprobeerd me te chanteren.' Günter, haar eerste man, zit op dat moment in de gevangenis vanwege een knokpartij met een agent. En Brigitte bromt: 'Wat een gruwelijke keuze: mijn liefste helpen en als tegenprestatie verklikkerswerk doen - of afhaken en Günter aan zijn lot overlaten.' Het is haar eerste confrontatie met de brutaliteit van degenen die het in haar land voor het zeggen hebben. En toch zegt Brigitte Reimann hetzelfde. 'Humaniteit', het grote toverwoord van de DDR-ideologen, is ook haar programma.

Met haar boeken wil zij de mensen helpen; 'positieve helden', zoals staatschef Walter Ulbricht dat noemt, moeten hen het goede voorbeeld geven. De grootste positieve held in haar roman Ankunft im Alltag, verschenen in 1961, is Hamann, de leider van een moeilijke arbeidsbrigade. Met geduld, wijsheid en een onuitputtelijke voorraad grappen krijgt Hamann de bandeloze brigadiers in het gareel. Hij brengt hen vlijt bij en discipline, bescheidenheid, hulpvaardigheid en teamgeest: het collectief maakt iedereen blij en gelukkig.

Ja, alleen in het collectief hebben menselijkheid en vrijheid een kans: Brigitte Reimann gelooft daar heilig in. Ze gaat aan de slag in een brigade, in de bruinkoolopwerkingsfabriek 'Schwarze Pumpe' waar ze een goed beeld van de arbeidersklasse hoopt te verkrijgen. Ze neemt de leiding in een 'Kring voor schrijvende arbeiders' en vuurt haar studenten aan met het gevleugelde motto 'Greib' zur Feder, Kumpel!' Ze discussieert zich blauw in een 'Club voor de jeugd' en loopt alle congressen van de schrijversbond af. Daar vindt zij nieuwe bewonderaars, nieuwe mannen. En nieuwe liefdestragedies.

Reimanns dagboeken werden al eerder uitgegeven, maar Die geliebte, die verfluchte Hoffnung uit 1983 was een dunne en zwaar gecensureerde selectie. De nieuwe uitgave van het Oostberlijnse Aufbau-Verlag is tweedelig en door redacteur Angela Drescher alleen ingekort op plekken waar de schrijfster zichzelf wat te nadrukkelijk herhaalde. En, toch een vorm van censuur, details waar beschreven personen hartgrondig aanstoot aan namen zijn eveneens verwijderd. Het mag nog een wonder heten dat de meeste geportretteerden in Ich bedaure nichts en in Alles schmeckt nach Abschied géén bezwaar tegen publicatie hebben gemaakt. Brigitte Reimann steekt haar sym- en antipathieën namelijk niet onder stoelen of banken.

Alexander Abusch, vice-voorzitter van de ministerraad van de DDR in het begin van de jaren zestig, kijkt tijdens een congres dwars door Brigittes blouse heen en het commentaar van de dagboekschrijfster luidt: 'Deze mannenblik verduistert de top van ons land'. Dan komt Klaus Gysi, ook een DDR-minister, er ietsje beter vanaf. 'Gysi maakte me weer het hof, veel te opzichtig; daarbij is hij een intelligente man.' Haar bevalt de manier waarop hij het verschil tussen een roman van Christa Wolf en van Brigitte Reimann uitlegt: 'Die Reimann', moet hij hebben gezegd, 'weet tenminste hoe een man ruikt.'

Aanvankelijk noemt Die Reimann haar collega Christa Wolf trouwens 'mijn beste vijand' en pas later ontstaat er een vriendschap. Het is ontroerend om te lezen hoeveel moeite de preutse Wolf doet om haar liederlijke vriendin te begrijpen. En als Brigitte ligt te creperen montert Christa haar op. Brigitte Reimann lag helaas vaak te creperen. Voordat men bij haar, in 1968, een kankergezwel in haar borst amputeerde had ze al helse pijnen ten gevolge van kinderverlamming, had ze al hartaanvallen met de regelmaat van de klok en braakbuien die haar enorm verzwakten. Een kotspartij kon ze ook maar nauwelijks onderdrukken toen ze Ulbricht voor het eerst hoorde spreken. Ze schrok, schrijft ze, van zijn 'valse eunuchenstem'.

Reimanns reacties zijn eerder fysiek dan verstandelijk analyserend. Een vriend noemde haar eens een 'gevoelssocialist' en daar kan zij zich wel in vinden. Opgewonden en kwaad, verbaasd en treurig incasseert ze de klappen die haar geloof in de DDR te verduren krijgt. De censuur en de stalinistische zuiveringen wekken evenzeer haar afschuw als de nieuwe hypocrisie, het nieuwe klassenbewustzijn en het nieuwe consumentisme. De socialistische stedenbouw vindt ze, nadat ze een paar jaar in de 'modelstad' Hoyerswerda gewoond heeft, een regelrechte ramp. Maar anders dan haar kennis Günter de Bruyn trekt zij zich niet walgend terug. Dat doet ze althans nooit erg lang. Steeds opnieuw bemoeit zij zich met het openbare leven. Ze neemt het op voor aangevallen collega's, ze vecht voor een theater in Hoyerswerda en oogst daarvoor dank en respect. Ook, soms, bij de leiders van de Partij. Die sturen de buitenlandse journalisten naar haar: zo'n toffe jonge vrouw móet wel indruk maken - en in haar grauwe Plattenbau-flat verdedigt Reimann haar land met verve.

Brigitte Reimann geniet van haar succes en haat het. Ze heeft hoogoplopende ideologische ruzies met haar broer, die op een dag de benen neemt naar het Westen. Aan hem wijdde ze haar boek Die Geschwister en dat verhaal uit 1963 heeft voor de zus een happy end: zij weet haar opstandige broer ervan te overtuigen dat het beter is om in de DDR te blijven. Ook Brigitte Reimann is in de DDR gebleven. Misschien omdat ze het gevoel had dat de mensen daar haar nodig hadden, misschien omdat ze toch een beetje bang was voor het onbekende. Ze was een gekooide rebel - en de enige manier om te ontsnappen was de wilde, gevaarlijke liefde.

    • Anneriek de Jong