Duitse regisseur Thomas Ostermeier over 'Shoppen & Ficken'; 'Rake stukken vind je vooral bij Britten'

Thomas Ostermeier, 'shooting star' van het Duitse theater, regisseert in het Holland Festival een Brits drama dat gruwelijk afloopt. De Duitse jeugd is dol op Shoppen & Ficken, de Duitse kritiek wat minder. “Naar onze stukken kun je komen kijken zonder kennis van theatertraditie”, zegt Ostermeier.

Shoppen & Ficken: vanavond en morgenavond in Theater Bellevue, Amsterdam; tel (020) 5305301 of 6211211.

AMSTERDAM, 26 JUNI. Het stuk is in Nederland al bekend: Shopping & Fucking was deze maand nog te zien bij De Trust. Theu Boermans regisseerde het knalharde drama van de Brit Mark Ravenhill als een komedie, met ruw en luidruchtig maar ook innemend spel. De jonge junks in Shopping & Fucking, opgegroeid met de regel dat alles moet wijken voor de jacht op geld en bezit, worstelden bij Boermans niettemin met ouderwetse gevoelens zoals het verlangen naar liefde. Dat gaf hen iets sympathieks en aan het eind van de voorstelling vormden zij zowaar een knusse familie.

Een Duitse versie van Shopping & Fucking komt nu naar het Holland Festival en de enscenering van Thomas Ostermeier eindigt niet idyllisch maar met een breed uitgesponnen slachtpartij.

Toch maakt Ostermeier (29), ter ondersteuning van zijn acteurs voor een paar dagen in Amsterdam, een zachtaardige indruk. Op zijn slungelige lijf zit een hoofd met grote grijze ogen die dromerig de wereld in kijken. Niet het type dat je je voorstelt bij een jongeman die, zoals Duitse kranten berichten, bezig is een Senkrechtkarriere te maken - steil omhóóg wel te verstaan.

Nog maar twee jaar is Thomas Ostermeier professioneel regisseur en twee keer is hij al uitgenodigd voor de Duitse variant van het Theaterfestival. Shoppen & Ficken behoorde tijdens het Theatertreffen tot de uitverkoren voorstellingen - naast Messer in Hennen, ook een Brits drama en eveneens een Ostermeier-regie. De jonge shooting star werkt met een team van vrienden die hij nog van de toneelschool kent en zelfs nog van het gymnasium, waar de twaalfjarige Thomas meer met het in elkaar zetten van toneelstukjes bezig was dan met het bestuderen van de schoolboeken. Samen met zijn team maakte hij van Die Baracke, een dependance van het deftige Deutsches Theater, de hipste speelplek van heel Berlijn. En vanaf het jaar 2000 gaat hij, uiteraard weer bijgestaan door zijn vrienden, een eigen theater leiden: de Berliner Schaubühne, ooit het werkterrein van de legendarische regisseur Peter Stein.

Vooralsnog leidt Ostermeier een armelijk bohémienbestaan. In zijn trui zitten gaten en zijn woning, vertelt hij, heeft geen koelkast of tv; er ligt alleen een matras. “'t Ziet er nog precies uit als tien jaar geleden”, lacht hij ietwat beschaamd. “Tien jaar geleden ben ik vanuit de Beierse provincie naar Berlijn gekomen om het theatervak te leren en 's nachts werkte ik in een tankstation: daar word je natuurlijk niet rijk van.” Thomas Ostermeier, hoe succesvol ook op het moment, zegt het levensgevoel van de figuren in Shoppen & Ficken te kennen. “Het is het gevoel van een generatie die weet dat men haar niet nodig heeft.” Een van zijn acteurs werkt als vrijwilliger met straatkids, met jongens als de veertienjarige Gary uit het stuk. “Die acteur sloot met zo'n jongen vriendschap, maar de knul begon hem te bestelen toen de relatie hem te intiem werd. Ook Gary heeft moeite met intimiteit omdat hij thuis werd vernederd, als letzter Dreck werd behandeld. Hij smeekt een ander hem met een mes te neuken: nog één keer wil hij de pijn van vroeger beleven. Dat doodsverlangen van Gary begrijp ik best. Het moeizame leven van junk en hoer wijst hij af, maar het brutale kapitalisme dat hij leert kennen ook.”

Veel toeschouwers, zegt Ostermeier, zijn na afloop van de voorstelling gechoqueerd of onder de indruk. “Wij vallen hen niet lastig met kunst maar geven hun de kans een ervaring op te doen. Iets wat lijkt op wat er door je heen zou gaan als je beste vriend zou worden afgemaakt. Zodat de verliezers uit dat stuk heel dicht bij je komen te staan. Dat zet je ook aan het denken over de winnaars, die alleen maar winnaars zijn omdat er zoveel verliezers zijn.” Verlegen mompelt hij: “Er moet toch een andere maatschappij mogelijk zijn dan eentje waarin de mens de mens een wolf is. Er moet toch een maatschappij kunnen bestaan zonder geld en met sociaal bewogen bedrijven.”

Met films zou hij een groter publiek kunnen bereiken, maar voorlopig maakt hij toch liever theater. “Een film kan ik door mijn aanwezigheid als toeschouwer niet manipuleren. Een voorstelling wel. Een voorstelling is zo goed als haar publiek. En een goed gezelschap slaagt erin een goede relatie met dat publiek op te bouwen. Het publiek van Die Baracke bestaat uit mensen die doorgaans liever naar de bioscoop gaan, naar clubs en popconcerten. Dat publiek kan ik alleen maar boeien door het een verhaal te vertellen - aan de hand van goed gecomponeerde stukken met rake dialogen. Zulke stukken vind je vooral bij jonge Britten; de Duitsers, ook van mijn generatie, zitten nog te veel vast aan bloedeloos ideeëndrama. Naar onze voorstellingen kun je komen kijken zonder kennis van de theatertraditie, zonder het stuk gelezen te hebben. Er is in Duitsland een grote behoefte aan toegankelijk toneel. Vandaar, denk ik, ons succes. Behalve dan bij een deel van de critici, dat ons effectbejag verwijt en populisme.”

Misschien, peinst Thomas Ostermeier, heeft hij juist door zijn achterstand een voorsprong op theatermakende leeftijdgenoten. “Ik kom uit een volslagen onartistiek milieu; mijn moeder was verkoopster, mijn vader beroepsmilitair. De man was patriarchaal en conservatief en ook erg gewelddadig. In zo'n omgeving leer je vooral waar je tégen bent. Dat blijkt nu in mijn voordeel te werken. Mijn collega's groeiden op met ouders die hen niet sloegen, die hen naar de Vrije School stuurden en naar cello-les. Bij al hun muzikaliteit en kunstzinnigheid zijn zij vergeten waaróm ze kunst maken. Ze zijn vergeten dat kunst altijd moet voortkomen uit een conflict.”

    • Anneriek de Jong